HOME FORMULE 1 ANDERE AUTOSPORT MOTORSPORT FORUM VERHALEN UIT DE OUDE DOOS CONTACT

Overzicht uitslagen Kalender 1960 Eindstand 1960
Programma Covers 1960 Wagens en coureurs 1960 Statistieken 1960

<<               Kalender 1960               >>

N° totaal Datum Grand Prix   Circuit Lengte Ronden Afstand
85 1 7 februari 1960 Argentinië Buenos Aires 3.912,4 m 80 312,989 km
86 2 29 mei 1960 Monaco Monte Carlo 3.145 m 100 314,500 km
87 3 30 mei 1960 Indianapolis Indianapolis 4.023,4 m 200 804,672 km
88 4 6 juni 1960 Nederland Zandvoort 4.193 m 75 314,475 km
89 5 19 juni 1960 België Spa-Francorchamps 14.100 m 36 507,600 km
90 6 3 juli 1960 Frankrijk Reims 8.302 m 50 415,100 km
91 7 16 juli 1960 Groot-Brittannië Silverstone 4.710,5 m 77 362,712 km
92 8 14 augustus 1960 Portugal Porto 7.407 m 55 407,385 km
93 9 4 september 1960 Italië Monza 10.000 m 50 500,000 km
94 10 20 november 1960 USA Riverside 5.270,6 m 75 395,295 km

<<               Voorbeschouwing 1960               >>

De Cooper met de motor achterin had zijn visitekaartje zeker afgegeven vorig seizoen. Zelfs bij Ferrari was men overtuigd dat hun nieuwe modellen ook hun motor achterin moesten hebben. Hun nieuwe type was korter en lichter dan zijn voorganger. Het eindresultaat was eigenlijk een experimentele versie van het type D246. Hij werd ingezet vanaf de tweede race, de Grand Prix van Monaco. Daarna besliste Ferrari om de rest van het seizoen toch maar af te werken met de oude versie. Hier waren er alleen wat details aan veranderd ten opzichte van vorig seizoen.
 
Ook Colin Chapman volgde de ‘nieuwe’ trend en ontwierp de Lotus 18. De motor zat ook hier dus achterin. De Lotus 18 trok eigenlijk wel een beetje op het vorige model, maar was verrassend genoeg minder gestroomlijnd, was zeker lichter en de voorkant kwam veel lager bij de grond. De coureur zijn zitpositie was ook helemaal anders. De coureur zat veel lager in de wagen. Dat de nieuwe wagen een succes zou worden, werd al meteen duidelijk tijdens de eerste Europese Grand Prix van het seizoen, die van Monaco. Stirling Moss behaalde, met de Lotus 18 ingeschreven door Rob Walker, meteen de zege. Het was trouwens de eerste zege van Lotus uit een lange rij.
 
Cooper, dat de constructeurstitel had gewonnen in 1959 en Jack Brabham aan de wereldtitel had geholpen, liet hun wagens nagenoeg ongewijzigd. De enige verandering die Cooper had doorgevoerd was dat er een nieuwe achterwielophanging in de wagens zat. Ook was hij nu uitgerust met een vijf-versnellingsbak.
 

De wagen van het Amerikaanse Scarab


Het was dan ook geen verrassing dat de vele privé-teams vooral interesse hadden om zich een Cooper aan te schaffen. Er was zelfs een Cooper die aangedreven werd door een Ferrari krachtbron. Het team Eugenio Castellotti, een privé-team van een Italiaans concern kreeg de naam van deze overleden Italiaanse coureur. Coventry-Climax motoren werden gebruikt door de Coopers die ingeschreven werden door het ‘Yeaman Credit Racing Team’.
 
De wagens van BRM hadden niet veel wijzigingen ondergaan ten opzichte van vorig seizoen. Ook al hadden ze de motoren dan naar achteren van de wagens geplaatst. Ook het andere Britse team, Aston Martin, bleef met dezelfde wagen rijden. Ondanks dat er in de loop van het seizoen een nieuw model verscheen (DBR5), kon Aston martin geen successen behalen. Later op het seizoen zouden ze zelfs de handdoek gooien.
 
Tijdens het seizoen maakte het Amerikaanse Scarab een paar keer zijn opwachting. Maar hun wagens, net als die van Aston Martin trouwens, waren veel te zwaar en hadden te weinig vermogen. Dit Amerikaanse team kon dan ook op geen enkel moment meedingen naar podiumplaatsen.
 

Motor: Maximum 2500cc (atmosferisch) of 750cc (met compressor) 

Puntenverdeling: de eerste zes kregen 8-6-4-3-2 en 1 punt. 

De beste 6 resultaten telden mee voor het Wereldkampioenschap.

Afstand: Minimum 300 km en maximum 500 km of 2 uur minimum. 

Idee, ontwerp en webmaster: Jos Van Aken

F1-Geschiedenis.be - 2004

Webstats4U - Gratis web site statistieken
Eigen homepage website teller