|
Door
de nieuwe formule, die de CSI binnen een jaar zou invoeren (3
liter atmosferisch, 1,5 liter met compressor), mocht het geen
verbazing wekken dat er geen grondige technische ontwikkelingen
plaatsvonden.
Bij
de Engelse wagens was het enkel de 32-kleppen versie van de
Coventry-Climax V8. Ondanks het vermogen (215 PK bij 10500 t/min)
was de motor niet echt betrouwbaar door een grotere kans op
olielekken. Er werd gewerkt aan een vlakke 16 cilinder
Coventry-Climax maar zou niet ingezet worden omdat het bedrijf
zich uit financiële overwegingen terugtrok.
De motor was ook bij Ferrari een bron van zorgen. In 1964 had de
vlakke V12 zijn debuut gemaakt in de GP van Italië. Met een
capaciteit van 1.489 cc (56 x 50,4) bracht hij 220 PK voort bij
12000 t/min.
 |
|
BRP P261 |
De meest logische ontwikkeling gebeurde bij Honda waar er
verschillende details werden bijgewerkt tot men de RA272 bekwam.
Met Richie Ginther aan het stuur, zou het team zijn 1e WK race
winnen tijdens de laatste Grand Prix van de 1,5 liter formule.
Net als het jaar voordien waren er weinig teamwissels. Ginthers
vacante zitje bij BRM (door zijn overstap naar Honda) werd
ingenomen door een zekere Jackie Stewart. Cooper verving Phil
Hill door Jochen Rindt. Bij de privateers had British Racing
Partnership van Ken Gregory en Alfred Moss zich teruggetrokken.
Hierdoor zat Trevor Taylor zonder team maar Innes Ireland kon
bij het Parnell team terecht. Signor Dei van Centro Sud bracht
Masten Gregory opnieuw in het team. Het wekte geen verbazing dat
Siffert samen met Bonnier voor Rob Walker zou rijden aangezien
Walker eind 1964 de Brabham-BRM inschreef voor de Zwitser.
Motor:
Maximum 1.500cc Minimum: 1.301cc
Puntenverdeling:
de eerste zes kregen 9-6-4-3-2 en 1 punt.
De
beste 6 resultaten telden mee voor het Wereldkampioenschap.
Afstand:
Minimum 300 km en maximum 500 km of 2 uur
minimum.
|