|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Voorbeschouwing 1967 |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Brabham,
dat in 1966 op overtuigende wijze de constructeurstitel pakte,
was meer dan tevreden over hun wagen en voerden dan alleen ook
enkele detailwijzigingen door. Toch waren ze een nieuwe wagen
aan het ontwikkelen. De BT24 was gebaseerd op hun Formule 2
wagen. De wagen was niet alleen smaller, hij woog ook
aanzienlijk minder dan zijn voorganger. De ontwerper, Ron
Tauranac, behield het basisconcept uit 1966, al werden de meeste
onderdelen wel aangepast. Zoals verwacht bleef Repco hun
motorenleverancier. Voor het nieuwe seizoen introduceerde ze hun
eigen motorblok. Dit veegde de laatste sporen uit van de
Oldsmobile motor, die als basis had gediend voor de eerdere
Repco motoren. Het vermogen bedroeg nu 326 PK bij 8.200 t/min.
De Brabham BT24 zo pas zijn debuut maken tijdens de Grand Prix
van België.
De
belangrijkste wijziging dit seizoen was zeker en vast de komst
van de Ford-Cosworth DFV (Double Four Valve) motor. Deze werd
gemonteerd achterin de Lotus 49. De nieuwe wagen werd ontworpen
door Maurice Philippe. Net zoals bij Brabham BT24, maakte hij
maar pas zijn debuut later op het jaar, tijdens de Grand Prix
van Nederland, een wedstrijd die de wagen trouwens direct won.
In het begin van het seizoen ging het team van Lotus dus verder
met de H16 motor van BRM. Ook de 2.0 liter motor van zowel BRM
als Coventry-Climax werden sporadisch nog ingezet. Eens de
Ford-Cosworth motoren echter klaar, concentreerde het team zich
volledig op hun type 49. Buiten de race in Nederland wonnen ze
ook de races in Groot-Brittannië, USA en Mexico. En zeggen dat
het team dan nog veel problemen had, met zowel de motor als met
hun chassis. De motor bestond uit een aluminium blok van 2.993cc
(85,7 * 64,8 mm). Er waren 4 kleppen per cilinder en de motor
was voorzien van een Lucas brandstofinjectiesysteem. Het
vermogen bedroeg 400 PK bij 9.000 t/min. Op het einde van het
seizoen was het vermogen al opgelopen tot 410 PK.
Nog
een nieuwe wagen die het erg goed deed tijdens zijn debuut was
de Honda RA300. John Surtees stuurde de wagen naar de
overwinning tijdens de Grand Prix van Italië. John Surtees
maakte sinds eind vorig jaar deel uit van het Japanse team, al
hadden deze wel een kleine fabriek in Slough (Groot-Brittannië),
van waaruit het team zijn Formule 1 activiteiten coördineerde.
John Surtees nam al het ontwikkelingswerk voor zijn rekening, al
werd het team nog
wel bestuurd van uit Japan. Vanwege zijn goede contacten met
Eric Broadley van Lola, kon John Surtees er voor zorgen dat Lola
Racing Honda hielp bij de ontwikkeling van een lichter en
verbeterd chassis. Dit moest uiteindelijk leiden tot een betere
wegligging. Het resultaat was de RA300. De motor bleef op enkele
details na dezelfde als in 1966. Het vermogen van de V12 Honda
krachtbron bedroeg 400 PK.
De
enige ‘echt’ nieuwe wagen kwam dit seizoen van McLaren. Ook
A.A.R.-Eagle, BRM, Cooper en Ferrari kwamen met veel
vernieuwingen, maar baseerden zich allen toch op hun wagen uit
1966. De veranderingen hadden vooral tot doel hun wagens lichter
te maken. Het team van McLaren had het 3-liter project met
Ford-Indianapolis ondertussen opgegeven. Ze bouwden eerst een
compacte Formule 2 wagen (type M4A). Deze werd speciaal
ontworpen voor de 2 liter V8 BRM motor. Pas daarna begon het
team met de ontwikkeling van hun nieuwe Formule 1 wagen, de M5A.
De eerste twee races reed Bruce McLaren nog mee, maar dan
besloot hij om voor het team van Dan Gurney te gaan rijden tot
zijn nieuwe wagen zou klaar zijn. Deze maakte zijn debuut
tijdens de Grand Prix van Canada. De wagen werd aangedreven door
een nieuwe 60° - V12 BRM krachtbron van 2.999cc (74,6 * 57,2
mm) De motor produceerde 365 PK bij 10.000 t/min.
In tegenstelling tot vorig seizoen waren er dit seizoen heel wat verschuivingen bij te teams. Eén van de grootste veranderingen was de terugkeer van Graham Hill naar Lotus. Hij werd daar teamgenoot van Jim Clark. Graham Hill had er zeven seizoen opzitten bij BRM, waar Jackie Stewart nu eerste rijder werd. BRM werkte dit seizoen er nauw samen met het team van Reg Parnell. Deze maakte uiteraard gebruik van de BRM wagens. De andere coureurs die reden voor beide teams waren Mike Spence, Piers Courage en Chris Irwin. Wie waar reed, hing af van de omstandigheden en de aard van het circuit. Meestal reed Mike Spence in de tweede BRM en kwam Chris Irwin uit voor het team van Reg Parnell. John Surtees had de rangen van Honda versterkt terwijl Richie Ginther, die vorige seizoen voor Honda reed, in eerste instantie voor het team van Eagle ging rijden. Richie Ginther stopte echter met racen op hoog niveau nadat hij er niet in geslaagd was zich te kwalificeren voor de Grand Prix van Monaco en de 500 mijl van Indianapolis. Jochen Rindt van zijn kant bleef op post bij Cooper. Hij kreeg er de Mexicaan Pedro Rodriguez als teammaat. Chris Amon ging ondertussen als derde coureur naar Ferrari. Maar na de verschrikkelijke crash van Lorenzo Bandini, tijdens de Grand Prix van Monaco en het zware ongeval van Mike Parkes tijdens de Grand Prix van België werd hij er al snel eerste coureur. Hij was dan ook dikwijls de enige ingeschreven Ferrari dit seizoen.
Motor: Maximum 3.000cc zonder compressor en 1.500cc met compressor Minimum gewicht: 500 kg Puntenverdeling: de eerste zes kregen 9-6-4-3-2 en 1 punt. Het kampioenschap werd verdeeld in twee delen van 6 en 5 races. Voor het eerste deel telde de 5 beste resultaten, voor het tweede deel de vier beste. Afstand: Tussen 300 en 400 km. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Idee, ontwerp en webmaster: Jos Van Aken F1-Geschiedenis.be - 2004 |