HOME FORMULE 1 ANDERE AUTOSPORT MOTORSPORT FORUM VERHALEN UIT DE OUDE DOOS CONTACT

Overzicht uitslagen Kalender 1968 Eindstand 1968
Programma Covers 1968 Wagens en coureurs 1968 Statistieken 1968

<<               Kalender 1968               >>

N° totaal Datum Grand Prix   Circuit Lengte Ronden Afstand
162 1 1 januari 1968 Zuid-Afrika Kyalami 4.104 m 80 328,320 km
163 2 12 mei 1968 Spanje Jarama 3.404,3 m 90 306,387 km
164 3 26 mei 1968 Monaco Monte Carlo 3.145 m 80 251,600 km
165 4 9 juni 1968 België Spa-Francorchamps 14.100 m 28 394,800 km
166 5 23 juni 1968 Nederland Zandvoort 4.193 m 90 377,370 km
167 6 7 juli 1968 Frankrijk Rouen-les-Essarts 6.542 m 60 392,520 km
168 7 20 juli 1968 Groot-Brittannië Brands Hatch 4.264,8 m 80 341,181 km
169 8 4 augustus 1968 Duitsland Nürburgring 22.835 m 14 319,690 km
170 9 8 september 1968 Italië Monza 5.750 m 68 391,000 km
171 10 22 september 1968 Canada Mont-Tremblant 4.265 m 90 383,850 km
172 11 6 oktober 1968 USA Watkins Glen 3.701,5 m 108 399,761 km
173 12 3 november 1968 Mexico Mexico City 5.000 m 65 325,000 km

Voorbeschouwing 1968

Voor het tweede opeenvolgende jaar had het team van Brabham de titel bij de constructeurs weten te veroveren. Dit had het in grote mate te danken aan de betrouwbaarheid van hun Repco motor. Deze betrouwbaarheid maakte ruimschoots het mindere vermogen goed. Maar de laatste races van 1967 hadden ook aangetoond dat de Ford-Cosworth motor de concurrentie met Repco makkelijk aankon. Betrouwbaarheid zou dit jaar niet voldoende meer zijn. Daarom besloot de Australische motorenbouwer om een nieuwe motor te ontwikkelen. Het werd een V8 motor met 4 kleppen per cilinder. Hij leverde 375 PK bij 8.700 t/min. De Brabham BT26, waar het nieuwe type ‘860’ motor in lag, werd, net als zijn voorgangers, ontworpen door Ron Tauranac. Hij had nu aluminium platen bevestigd op het chassis, met rivetten. De wagen debuteerde tijdens de tweede Grand Prix van het seizoen, in Spanje.

Het team van Lotus had in 1967 de laatste twee Grand Prix met overmacht gewonnen. Ze stonden dan ook vol zelfvertrouwen aan de start van het nieuwe seizoen. Op 7 april kreeg dat vertrouwen echter een enorme dreun. Jim Clark verongelukte tijdens een Formule 2 wedstrijd op het circuit van Hockenheim. Om onverklaarbare redenen week Jim Clark plots van de baan af en raakte daarbij enkele bomen. Het moreel stond na dit ongeval bij het team van Lotus terug op 0. Het was vooral Graham Hill die het team terug op het goede spoor zette. Hun Lotus 49 werd, op enkele details na, niet gewijzigd. De grootste verandering was de kleur van de wagen. Na de Grand Prix van Zuid-Afrika werd de wagen in het rood met witte letters gespoten. De neus en onderkant van de wagen werden goudkleurig gemaakt. Dit had uiteraard alles te maken met hun sponsor ‘Players Gold Leaf’. Deze was tijdens de winter Esso komen vervangen. Het was de eerste keer in de geschiedenis van de Formule 1 dat een sponsor de kleuren van de wagen bepaalde. Tijdens de Grand Prix van Monaco verscheen de Lotus 49B. Deze had een compleet nieuwe achterwielophanging. Ook de wielbasis was langer gemaakt. Niet alleen het ‘Gold Leaf Team Lotus’ reed met een Lotus wagen tijdens dit seizoen. Ook de privé-teams van Rob Walker-Jack Durlacher had een Lotus 49 ter beschikking en vanaf de Grand Prix van Frankrijk reed Jo Siffert in de Lotus 49B in plaats van in de oude Cooper/Maserati.
 

Lotus 49B


In de zomer van 1967 had Ford beslist dat hun DFV motor, die gebouwd werd door Cosworth, ook voor andere teams beschikbaar zou zijn. Dit was belangrijk nieuws voor de teams, want de Ford motor leek de sterkste van het lot te zijn. Het team van McLaren was er als de kippen bij om een contract af te sluiten met Ford. Ze bouwden een nieuwe wagen volgens dezelfde principes als de Lotus 49. De McLaren M7A was echter niet op tijd klaar voor de eerste Grand Prix van het seizoen. Het team reed deze wedstrijd nog in de ‘oude’ M5A. Deze wagen werd na de race verkocht aan het team van Jo Bonnier. Later in het seizoen kocht het team van AAR een McLaren M7A. Het Eagle project was tot mislukking gedoemd omdat er geen ontwikkeling meer plaatsvond. Het team wou de Weslake motor vervangen door een eigen ontwikkelde motor. Dit project kwam echter niet verder dan de tekentafel.

Het vierde team dat gebuik maakte van de Ford-Cosworth motor werd gevormd door Ken Tyrrell. De naam van het team: ‘Matra Sport International’. Ook het Franse ‘Matra Sport’ kwam dit seizoen aan de start, maar maakte gebruik van hun eigen Matra V12 motor. Deze leverde 400 PK bij 10.000 t/min. Matra Sport was pas opgericht in 1964. Na een succesvol seizoen in Formule 3 in 1965, maakte ze de sprong naar de Formule 2. Daar had Matra Sport een contract afgesloten met Ken Tyrrell om het team te runnen. De wagens waren uitgerust met een Ford motor en de coureurs waren Jackie Stewart en Jacky Ickx. De kennis die het team vergaarde, werd doorgespeeld aan hun Formule 3 team met Jean Pierre Beltoise als coureur. In 1967 had ook Matra Sport een eigen Formule 2 team, naast het team Matra International van Ken Tyrrell. Voor Matra Sport reden dat seizoen Johnny Servoz-Gavin en Jean Pierre Beltoise. Henri Pescarolo werd er kopman van hun Formule 3 team. Dan volgde de aankondiging van de regering dat ze een grote lening toestonden aan Matra Sport om de sprong te maken naar de Formule 1. Hun eerste wagen, de MS9, werd aangedreven door een Ford motor. De wagen maakte zijn debuut tijdens de Grand Prix van Zuid-Afrika met Jackie Stewart aan het stuur. Ken Tyrrell kwam tot een overeenkommst met Matra Sport om zijn eigen team te leiden in de Formule 1, net als dat hij dat deed in de Formule 2. De MS9 was eigenlijk een Formule 2 wagen en na de eerste race verscheen de MS10. Men leverde deze wagen ook aan Ken Tyrrell, maar gelijktijdig ontwikkelde Matra de MS11, die ook met hun eigen V12 motor moest rijden. Deze wagen maakte zijn debuut tijdens de Grand Prix van Monaco. Beide teams kregen de steun van Elf en Matra International zorgde ook voor de terugkeer van Dunlop als bandenleverancier, nadat ze vorig seizoen nauwelijks aanwezig waren op de circuits.

Het enige andere team dat een compleet nieuwe wagen ontwikkelde, was BRM. Hun ‘P126’ was ontworpen door Len Perry en uitgerust met de V12 BRM motor die al gebruikt was door het team van McLaren tijdens de Grand Prix van Canada vorig seizoen. Het vermogen van de motor bedroeg ongeveer 400 PK. Bij de start van het Europese seizoen werd een vergelijkbare wagen gebouwd in Bourne. Deze kregen de naam ‘P133’ mee. Op beide modellen liep de monocoque over de ganse lengte van het chassis door. Een derde model dat even verscheen tijdens de trainingen voor de Grand Prix van Italië en zijn eerste race maakte tijdens de Grand Prix van USA, was hun model ‘P138’. Eén van de grootste verschillen met de vorige wagens was dat deze wagens gebruik maakten van een versnellingsbak die in eigen beheer (in plaats van de Hewland) was ontworpen.
 

Matra MS10


Het team van Cooper gebuikte na de Grand Prix van Zuid-Afrika ook de V12 BRM motor in hun T86B. Het monocoque chassis was erg vergelijkbaar met hetgeen het team gebruikte voor hun Maserati motor.

John Surtees bleef kopman bij Honda. Tijdens de Grand Prix van Spanje verscheen een aangepaste RA300, RA301 genaamd. De motor en de versnellingsbak waren ook verder ontwikkeld. De motor had nu een vermogen van 430 PK. Tijdens de Grand Prix van Frankrijk kwamen ze met een compleet nieuwe wagen, de RA302. Deze werd aangedreven door een V8 motor die 380 Pk leverde bij 9.000 t/min.

Na een relatief rustig seizoen in 1967, kwam Ferrari dit seizoen terug met twee coureurs aan de start. Chris Amon kreeg Jacky Ickx als teamgenoot. De Belg had gehoopt om bij het team van Ken Tyrrell te kunnen blijven in een tweede Matra-Ford. Helaas voor hem had Ken Tyrrell maar geld voor één wagen. Tijdens sommige wedstrijden werd er door Ferrari ook een derde wagen ingezet. Deze werden bestuurd door Andrea de Ademich of Derek Bell. Hun 48 kleppen motor had eind vorig seizoen zijn debuut al gemaakt. Ferrari gebruikte al zijn financiële middelen om een intensief ontwikkelingsprogramma voor de motor op poten te zetten. Voor het begin van het seizoen was het vermogen al opgelopen tot meer dan 400 PK. De wagen bleef, op enkele details na, dezelfde als vorig seizoen. Uiteraard maakten ze, na de Grand Prix van Monaco, ook gebruik van de aërodynamische hulpmiddelen.

De aërodynamische hulpmiddelen deden dit seizoen hun intrede vanaf de Grand Prix van België. Op het einde van het seizoen had ieder team er al mee geëxperimenteerd. Dit kwam voort uit de noodzaak om de kracht die de wagen wou opheffen te verkleinen. Ook de wegligging en de stabiliteit werd ermee verbeterd.

Ook de ontwikkeling van de banden ging in hoog tempo door. Zelfs toen eind 1967 Firestone met het bericht naar buiten kwam dat ze hun Formule 1 activiteiten wilden afbouwen, veranderde daar niets aan. Ze introduceerden zelfs, net zoals Goodyear en Dunlop, betere banden voor regenweer en droog weer. Ook de breedte van de band bleef maar toenemen.

Op de transfermarkt was het vrij rustig geweest deze winter. Cooper had Jochen Rindt zien vertrekken naar het team van Brabham. Daar was de wereldkampioen, Denny Hulme, vertrokken naar McLaren. Ook Pedro Rodriguez verliet het team van Cooper voor het kopmanschap bij BRM. In hun plaats kwamen de Italiaan Ludovico Scarfiotti en de Amerikaan Brian Redman. Het team van Reg Parnell bleef een nauwe band onderhouden met het team van BRM. In eerste instantie reed Chris Irwin voor het team, maar nadat hij zwaar gewond werd tijdens een 1000 km race op de Nürburgring, werd hij vervangen door Piers Courage.

Motor: Maximum 3.000cc zonder compressor en 1.500cc met compressor

Minimum gewicht: 500 kg 

Puntenverdeling: de eerste zes kregen 9-6-4-3-2 en 1 punt. 

Het kampioenschap werd verdeeld in twee delen van 6 races. Voor beide delen telde de 5 beste resultaten mee. 

Afstand: Tussen 300 en 400 km. 

Idee, ontwerp en webmaster: Jos Van Aken

F1-Geschiedenis.be - 2004

Webstats4U - Gratis web site statistieken
Eigen homepage website teller