De Australiër Jack Brabham maakte naam in het wereldje van de autosport door als coureur van de Cooper Car Compagny, in 1959 en 1960 het wereldkampioenschap te behalen in een Cooper-Climax. Brabham was al betrokken bij het ontwerp van de wagens van Cooper. In 1961 richtte hij samen, met Ron Tauranac, een ingenieur uit Australië die in de Jack Brabham garage werkte, Motor Racing Developments LtD. op. Ze begonnen aan de bouw van een Formula Junior car in een schuur in Esher. De wagen kreeg als naam MRD. Het project moest geheim blijven omdat Jack Brabham nog steeds coureur was voor Cooper en ook dat bedrijf Formula Junior wagens had, die zelfs voor serieuze winsten zorgden door de verkoop ervan.
Op het einde van 1961 verliet Jack Brabham Cooper. Omdat MRD niet goed te vertalen was naar het Frans, beslisten ze dat hun wagens gewoon Brabham zouden noemen. Ze verhuisden naar Surbiton naar gebouwen die eigendom waren van Repco. Daar bouwden ze hun eerste Brabham! De BT2 was een ontwikkeling van de MRD Formula Junior wagen en onmiddellijk begonnen ze ook aan de bouw van een Formule 1 wagen. Omdat de wagen niet klaar was tegen het begon van het seizoen 1962, kocht Brabham een Lotus om in '62 van start mee te gaan. Hun Formula junior wagen deed het ondertussen erg goed met Frank Gardner als coureur. Ook Jo Schlesser reed in zo een wagen, maar dan als priviteer, zoals dat zo moi genoemd wordt in het Engels. Hij won er trouwens de Franse Formula Junior titel mee. Elf wagens werden er van gemaakt. Ondertussen was de Formule 1 wagen, de BT3, afgewerkt tegen juli 1962. Hij debuteerde op de Nürburgring in het lichtblauw. Daarna verscheen de wagen in september op Oulton Park, waar Jack Brabham trouwens mooi derde eindigde en in de Gold Cup. Op het circuit van Watkins Glen scoorde het team zijn eerste WK punten. Brabham eindigde er vierde, net als in Zuid-Afrika trouwens. Daarmee eindigde een mooi debuutjaar voor het team van Brabham.
|
|
|
De eerste Formule 1 wagen van Brabham, type BT3 |
Het jaar '63 was een erg druk jaar voor het team. Brabham en Tauranac bouwden een BT5 sportscar, een BT6 Formula Junior (maar liefst 20 stuks werden er hier van verkocht) en een Formule 1 wagen, de BT7. Het team ging ook in zee met Dan Gurney, als tweede coureur naast Jack Brabham. Ze behaalden enkele mooie resultaten dat seizoen met onder andere drie tweede plaatsen en een mooie derde plaats in het wereldkampioenschap voor constructeurs.
Het bedrijf groeide snel en bouwde een nieuwe sportscar (de BT8). Hiervan maakten ze er negen exemplaren van. Ondertussen reed het team mee in de Formule 1, de Formule 2, de Formule 3 en op Indianapolis. In 1964 won Dan Gurney de eerste Grand Prix voor Brabham tijdens de Grand Prix van Frankrijk, later gevolgd door een overwinning in de Grand Prix van Mexico. In de eindstand voor het constructeurs kampioenschap eindigden ze op een vierde plaats. Ondertussen reden Dennis Hulme en Jack Brabham ook nog in de F2. Verschillende F2 wagens werden verkocht aan andere coureurs. In totaal zou Brabham dat seizoen ongeveer 40 racewagens bouwen!
Deel 2 volgt volgende week




