Het prototype werd getest vanaf 1949 en verscheen voor de eerste keer tijdens de International Trophy in Silverstone in augustus 1950. Raymond Mays en Raymond Sommer waren de coureurs van dienst. Helaas bleek de wagen van Mays niet raceklaar te zijn en Raymond Sommer moest al opgeven in de start.
Een maand later reed Reg Parnell de wagen naar de overwinning tijdens de Goodwood Trophy en op het einde van oktober reden Parnell en Walker tijdens de Penya Rhin Grand Prix. Beide moesten echter de strijd staken met mechanische problemen.
Daarna verdwenen de wagens enige tijd van het toneel tot juli 1951 wanneer Parnell en Walker waren ingeschreven voor de Grand Prix van Groot-Brittannië. Ze eindigden op een mooie vijfde en zevende plaats, al had Parnell wel vijf ronden achterstand op de winnende Alfa Romeo en Walker was zelfs nog een ronde achter Parnell. Het team, waar ondertussen ingenieur Ken Richardson de plaats had ingenomen van Walker, schreef zich ook in voor de GP van Italië, maar geen van beide wagens kon zich kwalificeren.
![]() |
|
De eerste Grand Prix met aan het stuur Reg Parnell |
In de winterperiode
werd er getest met niemand minder dan Juan-Manuel
Fangio en Froilan Gonzalez, maar door het gebrek aan
concurrentie voor Ferrari in de F1, beslisten vele
organisatoren dat hun races enkel voor F2 wagens
open stonden. Voor de F1 wagens bleven er maar een
paar races over. Fangio en Gonzalez reden voor BRM
op Albi, zonder succes trouwens, want ze moesten
beiden de strijd staken. In de Ulser Trophy in
Dundrod reden Fangio en Moss, maar ook hier moesten
beide coureurs de strijd staken. Ook namen Gonzalez
en Ken Wharton nog deel aan de race in Boreham.
Ondertussen was het team overgenomen door de
industrieel Sir Alfred Owen. De officiële naam van
het team veranderde in Owen Racing Organisation,
maar de wagens waren nog steeds bekend onder de naam
BRM.
In 1953 waren er slechts een handvol F1 races en
Gonzalez en Fangio reden opnieuw voor BRM in Albi.
Gonzalez werd er trouwens knap tweede. Daarna
verschenen de wagens alleen nog in races voor de
'Formula Libre'.
De volgende Grand Prix wagen, de P25, verscheen pas
tijdens de Daily Telegraph Grand Prix 1955 op het
circuit van Aintree. De wagen was uitgerust met een
nieuwe 2.5 liter motor ontworpen door Stuart
Tresilian terwijl Colin Chapman verantwoordelijk was
voor de ophanging. Peter Collins was de coureur bij
het debuut maar crashte tijdens de kwalificatie en
kon daardoor niet deelnemen aan de race. Collins was
weer parat voor de race op het circuit van Oulton
(Gold Cup), maar moest opgeven met een
motorprobleem.
In 1956 waren Tony Brooks en Mike Hawthorn de
coureurs tijdens de F1 races in Groot-Brittannië.
Brooks eindigde tweede in de BARC race in Aintree.
Voor de GP van Monaco slaagde geen van beide
coureurs er in zich te kwalificeren voor de race.
Tijdens de GP van Groot-Brittannië kregen de vaste
coureurs het gezelschap van Ron Flockhart. Geen van
de drie wagens wist echter de finish te halen en
daarna werden de wagens niet meer gezien in F1
races. Voor het seizoen 1957 kreeg Flockhart het
gezelschap van Roy Salvadori. Flockhart wist zich
deze keer wel te kwalificeren voor de GP van Monaco
maar moest de strijd staken in de race. Voor de GP
van Frankrijk kreeg Flockhart dan weer het
gezelschap van Herbert MacKay, maar geen van beide
coureurs kwamen aan de eindstreep. Voor de GP van
Groot-Brittannië waren Jack Fairman en Les Leston
dan weer de coureurs voor BRM. Beide moesten de
strijd staken met een probleem aan de motor. Twee
weken later bestuurden Jean Behra en Harry Schell de
wagens tijdens de GP van Caen. De kleine Fransman
won de race en deed dat nog eens over tijdens de
International Trophy. Zijn teamgenoten Schelle en
Flockhart eindigde daar trouwens tweede en derde.
Tijdens de Modena GP verscheen BRM met Flockhart en
Bonnier, maar beide staakten de strijd. Het seizoen
eindigde met Maurice Trintignant die al derde
eindigde in de GP van Marokko in Casablanca.
In 1958 kwam BRM aan de start met een
doorontwikkeling van de P25 met als coureurs Behra,
Schell, Flockhart, Bonnier en nog enkele andere.
Eindelijk werd het team een regelmatige deelnemer
aan de WK Formule 1. Er werden enkele knappe
resultaten neergezet, maar tot overwinningen kwam
het niet. Het team eindigde op een mooie vierde
plaats in het Wereldkampioenschap voor constructeurs
dat voor het eerst werd georganiseerd dat seizoen.
In 1959 werd dan weer een slecht jaar voor BRM. Het
ging er zelfs zo slecht aan toe dat Sir Alfred Owen
een wagen aan BRP (Britisch Racing Partnership) in
bruikleen gaf in de hoop dat dit privé team beter
zou presteren met zijn wagens. Het fabrieksteam
reageerde echter met een overwinning in de GP van
Nederland in de maand mei met Jo Bonnier. Flockhart
won op het einde van het seizoen ook nog de Silver
City Trophy in Snetterton.
![]() |
|
Jo Bonnier wint in een BRM 25 de eerste Grand Prix voor het team |
Voor het volgende
seizoen bouwde het team de nieuwe P48 maar hun
coureurs Dan Gurney, Graham Hill en Jo Bonnier
kregen af te rekenen met diverse technische
problemen en scoorde in 1960 nauwelijks punten.
In 1961 kreeg Hill het gezelschap van Brooks, maar
het team worstelde met de dominantie van Ferrari. De
enige zege van het seizoen kwam op naam van Tony
Marsh die in zijn privé BRM de Lewis-Evans Trophy
won op het circuit van Brands Hatch.
Op het einde van het jaar vroeg Sir Alfred Owen niet
meer of niet minder dan dat zijn team in 1962 zou
races winnen. Indien dit niet zou lukken, zou hij
zijn team opdoeken. De nieuwe P57 werd ontworpen
door Tony Rudd en had een V8 motor die ontworpen was
door Peter Berthon en verder ontwikkeld door Aubrey
Woods. Graham Hill kreeg als coureur het gezelschap
van Richie Ginther. Hill won Glover Trophy in
Goodwood in april en een maand later ook de
International Trophy. Het wereldkampioenschap begon
hij eveneens met een overwinning tijdens de GP van
Nederland. Hij ging op zijn elan door en won ook de
GP van Duitsland, Italië en Zuid-Afrika. Hij werd
dat jaar trouwens ook de wereldkampioen en BRM werd
wereldkampioen bij de constructeurs!
Voor 1963 bleef de samenstelling van het team
onveranderd. BRM begon nu ook met het leveren van
motoren aan andere teams zoals er waren: BRP,
Scuderia Centro Sud, Scuderia Filipinetti,
Scirocco-Powell Racing, Rhein-Ruhr Racing en nog
enkele andere. Graham Hill won de GP van Monaco en
deze van de USA in Watkins Glen, maar kon niet
optornen tegen de Lotus van Jim Clark die op
overtuigende wijze wereldkampioen werd. Hill
eindigde tweede in het wereldkampioenschap.
Ook voor het seizoen 1964 wijzigde er niets aan de
rijderbezetting van BRM. En ook het leveren van
motoren ging gewoon verder. De nieuwe P261 was ook
ontworpen door Tony Rudd. Het was een goede wagen
want Graham Hill wist er de GP van Monaco en USA (Watkins
Glen) mee te winnen. Net als in 1963 trouwens. Ook
dit seizoen werd hij tweede in het
wereldkampioenschap, maar ditmaal achter Surtees.
In 1965 kreeg Hill het gezelschap van Jackie
Stewart. De ouders wagens van BRM werden ter
beschikking gesteld van het team Scuderio Centro Sud
met hun coureurs Masten Gregory en Ludovico
Scarfiotti. Stewart won de International Trophy en
de Italiaanse Grand Prix terwijl Hill wederom wist
te winnen in Monaco en Watkins Glen. BRM werd tweede
in het Wereldkampioenschap na Lotus en Hill werd
eveneens tweede na Clark. BRM won ook de GP 'Mediterranean'
op het circuit van Enna, al was het wel met Jo
Siffert aan het stuur van een Rob Walker Brabham
aangedreven door een BRM krachtbron.
![]() |
|
De BRM 261 |
De nieuwe 3 liter
Formule 1 begon in 1966 en BRM ontwierp een H16
motor en het P83 chassis. Het chassis was erg laat
klaar, zwaar en helemaal niet competitie. BRM
leverde motoren aan het team van Lotus maar de enige
overwinning van dat seizoen kwam van Jim Clark in de
GP van USA.
Hill verliet BRM en ging zijn geluk beproeven bij
Lotus. Stewart kreeg in 1967 dan Mike Spence als
teamgenoot. Oudere wagens werden geleverd aan Reg
Parnell voor zijn coureurs Chris Irwin en Piers
Courage. Lotus begon het seizoen met de BRM H16
motor maar al snel maakte ze de overstap naar de
Cosworth DFV. In 1968 had BRM een nieuw chassis, de
P126, ontworpen door Len Terry en de nieuwe V12
motor ontworpen door Geoff Johnson. Pedro Rodriguez
kreeg al snel de nieuwe P133 maar Richard Attwood en
de andere worstelden verder in de P126. Rodriguez
reed aan de leiding tijdens de GP van Spanje en
eindigde mooi tweede tijdens de GP van België. Op
het einde van het seizoen kwam BRM nog met de P138
maar ook deze wagen was niet succesvol.
In 1969 ging het een beetje beter met BRM en hun
coureurs John Surtees en Jackie Oiliver. De nieuwe
P139 was weer erg laat klaar en niet competitief.
Midden het seizoen arriveerde dan Tony Southgate van
Eagle en hij werd er hoofd van de afdeling chassis
samen met ontwerpers Amec Osborne en Peter Wrigt
terwijl Aubrey Woods het hoofd van de motorafdeling
werd. Hij werkte er samen met Geoff Johnson.
Southgate zijn eerste product was de P153, uitgerust
met een nieuwe V12 motor (ontworpen door Woods). BRM
had ondertussen sponsorsgeld van Yardley en
Rodirguez en Oliver waren hun rijders. Tijdens de GP
van België slaagde Rodiguez er in nog een een
overwinning (de eerste in vier jaar) voor BRM te
behalen. Ongeveer net op dat moment gaf Sir Alfred
Owen de controle over het team over aan zijn zus die
getrouwd was met Louis Stanley.
In 1971 kwam BRM met de P160 en won de GP van
Oostenrijk en Italië met Siffert en Gethin
respectievelijk aan het stuur. Zowel Rodriguez als
Siffert verongelukten dat jaar, Siffert zou trouwens
de enige coureur zijn die in een BRM stierf. Het
team eindigde mooi tweede in het wereldkampioenschap
voor constructeurs. De P180 kwam in 1972 met als
sponsor Marlboro. De wagen was echter geen succes en
een doorontwikkeling van de P160 verscheen al snel
waarmee Jean-Pierre Beltoise de overwxinning pakte
in de GP van Monaco.
Van het type P160 bleven nog enkele doorontwikklede
versies verschijnen tot 1971 terwijl het team
afgleed naar de zwakkere teams in de F1. Het team
ging verder met Rubery Owen als sponsor tot zijn
dood in 1974 en op het einde van het seizoen was het
team failliet. Het team werd echter terug opgestart
als Stanley BRM en Mike Pilbeam werd aangesteld om
de P201 te ontwerpen. Af en toe verscheen het team
nog aan de start in 1976 maar op het einde van het
jaar verkondigde Louis Stanley dat BRM in 1977 terug
een volledig seizoen zou meedraaien in het
F1-circus. Len Terry ontwierp de P207 en de coureurs
waren Larry Perkins en Teddy Pilette. De wagen was
echter geen succes en het team stopte op het einde
van het seizoen.
En plots in 1979 was er een poging om terug te keren
in de F1. Er was een nieuwe wagen, de P230, maar na
enkele testritten, die een flop waren, werd toch
maar afgezien van een comeback.
![]() |
|
De laatste creatie van BRM, de P230 werd een gigantische flop |







