Kenneth McAlpine, lid van een bekende ingenieursfamilie stichtte Connaught in 1950 samen met zijn partners Rodney Clark en Mike Oliver. Ze openden hun ateliers in het stadje Send. Hun eerste project was een sportscar, maar voor 1951 beslisten ze een Formule 2 wagen te bouwen, aangedreven door een 4-cilinder 2 liter motor van Lea Francis.
De wagen debuteerde in de 'Rufforth Stakes' in juli 1951 met Oliver aan het stuur. Een maand later werd McAlpine tweede in de Daily Mail Trophy in Boreham. De ambities voor het seizoen 1952 werden hoger gelegd. Er waren nu niet alleen fabriekswagens, maar ook privé coureurs konden de wagens nu huren of kopen. Voor het fabrieksteams werden bestuur door McAlpine, Clark, Ken Downing en nog enkele andere coureurs. Ze deden het verre van slecht tijdens de Grand Prix van Groot-Brittannië, waar Ken Downing, Eric Thompson en Dennis Poore zich allen in de top-10 wisten te kwalificeren. Aan de eindstreep was Poore vierde en Thompson vijfde. Downing kwam ook aan de start van de GP van Nederland terwijl Mike Hawthorn de wagen bestuurde in Turnberry (Schotland). Hij won deze (kleinere) race! Ook voor de Grand Prix van Italië waren de wagens paraat, mar zonder veel succes. Downing van zijn kant won de race die gekend stond onder de naam 'Madgwick Cup' in de herfst van 1952 op het circuit van Goodwood. Poore, McAlpine en Oliver pakten nog de eerste drie plaatsen in een kleinere race in Charterhal in oktober.
![]() |
|
De Connaught Type A |
De wagens hadden het in 1952 goed gedaan en zo hadden ze de aandacht getrokken van de Belg Johnny Claes. Hij kocht een wagen en reed er mee in het geel, de nationale racekleur van België, in heel Europa. Het fabrieksteam had nu Roy Salvadori en John Coombs als coureurs en in Groot-Brittannië verhoogde het aantal klantenteams. Zo kocht Rob Walker een wagen voor Eric Thompson en later voor Tony Rolt. Tijdens de International Trophy eindigde Salvadori tweede, achter de Ferrari van Hawthorn terwijl de derde podiumplaats was weggelegd voor Tony Rolt. Tijdens de zomer won Rolt een aantal wedstrijden in Crystal Palace, Snetterton, Oulton Park en Thruxton. Ook Thompson won een race. McAlpine van zijn kant won een kleinere wedstrijd in Snetterton maar het fabrieksteam was minder succesvol, ondanks het feit dat Stirling Moss één van de wagens bestuurde tijdens de Grand Prix van Nederland. Price Bira reed ook enkele races voor Connaught, maar op de Internationale scéne was het succes erg beperkt. Claes eindigde nog wel derde te Pau en Bira werd zevende tijdens de GP van Groot-Brittannië. In augustus werd Ron Flockhart aangeworven door het fabrieksteam. Hij finishte, samen met Salvadori, op een mooie tweede plaats tijdens een wedstrijd in Italië. Het jaar eindigde met een overwinning voor Salvadori in de Madgwick Cup in Goodwood.
Met ingang van 1954 concentreerde Connaught zich voornamelijk op de klantenteams. Verschillende teams deden een beroep op hun wagens, sommige met succes. De snelste was ongetwijfeld Don Beauman in een wagen eigendom van Sir Jeremy Boles. Op het circuit van Critale Palace werd hij echter verslagen door Peter Colins aan het stuur van een Connaught, eigendom van Rob Walker. Ze eindigden toen derde en vierde.
Op het einde van 1954 ontwierp Clark de Connaught Type B. Deze was uitgerust met een 2,5 liter Alta motor. De wagen debuteerde tijdens de Glover Trophy in Goodwood met Ton Rolt aan het stuur. Hij moest de strijd staken, maar Don Beauman, in het 'oude' type A, won de race. In de loop van het jaar werd het nieuwe type verder ontwikkeld, maar ook het oude type wed nog met succes gebruikt in kleine wedstrijden. Beauman verongelukte in een sportscar wedstrijd in Ierland en vanaf dan was de 22-jarige student tandarts, Tony Brooks, de snelste coureur met een Connaught A. Hij eindigde op een mooie vierde plaats in juli van dat jaar tijdens een race in Londen. Het fabrieksteam behaalde nog enkele ereplaatsen in kleinere races in Groot-Brittannië, maar dan schreven ze zich, ietwat verrassend, in voor de F1-race (non-championship) in Pescara. Ondanks het feit dat er niet minder dan vijf Maserati fabriekswagens aan de start stonden naast ook nog enkele Gordini's, won Brooks deze race met bijna een minuut voorsprong. Daarmee gaf hij Groot-Brittannië de eerste zege buiten hun eigen landsgrenzen sinds 1924.
Het seizoen 1956 werd een teleurstellend jaar. En dat ondanks de inzet van Archie Scott-Brown, Jack Fairman, Desmond Titterington, Ron Flockhart en Stuart Lewis-Evans. Scott-Brown en Titterington eindigde tweede en derde in de International Trophy en Fairman werd vierde in de GP van Groot-Brittannië. Het beste resultaat van het jaar werd geboekt door Ron Flockahart die tijdens de GP van Italië op de derde podiumplaats eindigde.
![]() |
|
De Connaugth Type B |
Lewis-Evans en Jack Fairman werden vervoegd door Ivor Bueb voor het seizoen 1957 maar resultaten werden nog slechter. Bueb werd derde in Pau en Lewis-Evans en Fairman eindigde eerste en tweede in de Glover Trophy. Het beste resultaat in het wereldkampioenschap werd geboekt door Lewis Evans met een vierde plaats tijdens de GP van Monaco. Daarna werden de wagens nergens meer opgemerkt. Het geld was op en op het einde van het jaar werd de fabriek gesloten.
Twee wagens werden gekocht aan Lewis-Evans zijn manager, Bernie Ecclestone. Ze werden ingezet in verschillende races in het begin van 1958, maar waren niet competitief meer. Ecclestone, Paul Emery en enkele anderen probeerden zich nog te kwalificeren voor enkele Grand Prix wedstrijden, maar na de Grand Prix van Groot-Brittannië werden de wagens nergens meer opgemerkt.
Paul Emery vervolledigde de constructie van het Type C, dat nog ontworpen was door Clark. De wagen werd verkocht aan Bob Said in de Verenigde Staten. Hij reed er mee tijdens de Grand Prix van Amerika in 1959 op het circuit van Sebring. Hij slaagde er in zich te kwalificeren, maar moest de eerste ronde van de race de wedstrijd al verlaten. De wagen werd aangepast en in 1962 probeerde Said zich er mee te kwalificeren voor de 500 mijl van Indianapolis.

.gif)


