George Emeryson begon al met het bouwen van racewagens in de jaren ’30. Na de Tweede Wereldoorlog nam zijn zoon Paul de zaak over. De eerste wagen, ‘special’ genaamd, werd bestuurd door Eric Winterbottom. Hij won er in 1947 een race mee op het circuit van ‘Grandsen Lodge airfield’. Ook een Formule 1 wagen stond op het programma van het kleine bedrifje maar het ontbrak hen aan de nodige fondsen om er daadwerkelijk ook eentje te bouwen. Paul Emery concentreerde zich daarom maar op de Formule 3 wagens. Hij slaagde er zelfs in enkele van deze wagens te verkopen.
In 1953 ging het bedrijf zich meer bezighouden met de Formule 2 wagens; Zee werden aangedreven door een Alta motor en vanaf de zomer in ’53 verschenen de wagens vooral op de races gehouden in Groot-Brittannië. De coureur was Paul Emery zelf. Het team reed ook met een Aston Martin motor in dat jaar. De coureurs in die wagen waren Peter Jopp en Alan Brown. In 1954 was het niemand minder dan Colin Chapman die met deze wagen reed tijdens de Internationale Trophy. Hij was echter te langzaam om geklasseerd te worden.
Het Emery zelf die de meeste races voor zijn rekening nam, zeker toen de wagen uitgerust werd met de nieuwe Alta motor. De resultaten werden er echter niet beter door! In 1955 verscheen het team in minder races aan de start, maar desondanks wist Paul Emery als tweede te eindigen tijdnes de Londen Trophy en tijdens de finale van dat jaar werd hij mooi vierde.
Het seizoen 1956 was vergelijkbaar met dat van 1955. Het team had nog steeds onvoldoende middelen om een gans raceseizoen af te werken. In 1956 kwam Paul Emery aan de start van de GP van Groot-Brittannië. Hij moest als 23e aan de race beginnen en in de race zelf moest hij de strijd staken met ontstekingsproblemen. De motoren waren trouwens aan het einde van hun levensduur en in 1957 kwam Paul Emery nog maar één eer aan de start van een race. Voor de rest werd de wagen nog ingezet in ‘hillclimb’ wedstrijden.
|
|
|
Paul Emery kwam met deze wagen aan de start van de GP van Groot-Brittannië in 1956 |
In 1958 reed Emery met een Connaught wagen. Meerder keren kwam deze aan de start met … Bernie Ecclestone als coureur. In 1959 kwam hij ook met een Cooper aan de start tijdens de Gold Cup in Oulton park.
En plots, in 1960, kwam gewezen fabriekscoureur van Cooper, Alan Mann, met zijn sponsors aankloppen bij Paul Emery. Ze kwamen tot een akkoord en dat zorgde er voor dat er een hele serie of nieuwe Emery-wagens kon gebouwd worden. Het team nam de fabriekshallen van Connaught over in Send. De eerste wagen die op een circuit verscheen was een Formule 2 wagen op het circuit van Brands Hatch. Het was dan al augustus 1960. Ron Flockhart zat er aan het stuur. John Turner reed er vervolgens nog een race mee in oktober en een weeklater werd hij George Wicken er vijfde mee tijdens een race op het circuit van Brands Hatch (de Lewis-Evens trophy).
In 1961 verscheen er een heuse Formule 1 wagen (Emeryson 61) aangedreven door een Climax motor. De coureur was Bruce Halford. Er weden bovendien verschillende wagens verkocht aan het ‘Ecurie Nationale Belge’ (ENB). Deze maakten dan gebruik van een Maserati motor. Het Belgische team had echter verschillende ongevallen met de wagens. Later schakelde het team over op een Lotus 18. Een Formula Junior versie van de wagen bleek succesvol te zijn, vooral met Mike Spence aan het stuur. Hij gaf het team een grote zege in Silverstone en kon daarna zijn F1 debuut maken met Emeryson in Solitude in juli 1961. In oktober van dat jaar eindigde hij op de tweede plaats in de Lewis-Evans Trophy in Brands Hatch.
|
|
|
Het type 'Emeryson 61' werd zelfs verkocht aan ENB. |
Op het einde van het jaar werd het team opgekocht door de Amerikaan Hugh Powell, maar Paul Emery bleef bij het team als ontwerper. Het team kwam met de Mk3 als nieuwe wagen. Het waren John Campbell-Jones en de Amerikaan Tony Settember die als coureurs fungeerden. Gerry Ashmore van zijn klant kocht een wagen voor zijn poulain Graham Eden.
In 1962 stichtte Powell het bedrijf Scirocco-Powell Racing en de wagens reden nu onder de naam Scirocco en waren uitgerust met een BRM motor. Paul Emery bleef bij het team tot het einde van het jaar en verliet toen het bedrijf dat hij had opgericht. Later ging hij zich bezighouden met het tunen van motoren en zijn zoon Peter hield de familietraditie in ere door race wagens te bouwen voor het Formula Junior kampioenschap

.gif)



