|
|
|||||||
|
|||||||
|
Nigel Mansell, de hoop van de Britten |
|||||||
|
Overzicht Formule 1 Overzicht verhalen << >> |
|||||||
|
Geschreven door Jeroen |
|||||||
|
Ooit heersten de Britten in de Formule 1. Maar dat was alweer zo lang geleden. Elf jaar terug was het inmiddels dat een Brit de titel had weten te pakken in hun sport. En dat was ook nog een enigszins gemankeerde titel. James Hunt was weliswaar een aansprekende vent, maar hij pakte de titel met de hakken over de sloot en slechts doordat zijn concurrent Niki Lauda enkele races had moeten missen na diens horrorcrash in Duitsland. Daarna volgde een lange droogte. En die lange droogte zat de Britten niet lekker. Zij waren immers toch de zelfbenoemde uitvinders van de autosport? Zij waren het toch die met helden als Mike Hawthorn, Graham Hill, John Surtees, Jim Clark en Jackie Stewart jarenlang hadden gedomineerd? Tussen 1958 en 1976 hadden de eilandbewoners liefst 10 keer een wereldkampioen mogen toejuichen. Vaak zelfs ook nog in dienst van Britse teams als Vanwall, BRM, Cooper, Lotus of Tyrrell. Geen land dat ook maar in de buurt kwam van zoveel succes. Maar de tijden veranderden. Brits succes was nog slechts te zien op vergeelde foto’s. Brazilianen als Nelson Piquet en Emerson Fittipaldi hadden titels gepakt. Alain Prost had er twee meegenomen naar Frankrijk, Niki Lauda won er wat voor Oostenrijk en zelfs coureurs uit, in hun ogen, tweederangs autosportlanden als Australië, Finland en Zuid-Afrika hadden titels gepakt. Het Britse koninkrijk was ergens in de late jaren ‘70 zijn grip op de Formule 1 kwijtgeraakt. Maar nu gloorde er weer wat hoop.
Die hoop had een
karakteristieke snor. Die hoop reed in de uitstekende Williams-Honda.
Die hoop heette Nigel Mansell. De bonkige Brit had in de jaren
ervoor zichzelf langzaam opgewerkt naar een titelkandidaat. Hij was
inmiddels een gearriveerd en gerespecteerd Grand Prix winnaar. Negen
races had hij inmiddels al op zijn naam geschreven. Een seizoen
eerder was hij zelfs bijna kampioen geweest. Slechts een brute
klapband in nota bene Australië, de dependance van Groot Brittannië,
kon dat voorkomen. Maar die klapband, die inmiddels door de tragiek
historisch is geworden, droeg wel bij aan het beeld dat was ontstaan
van Mansell. Een volkse jongen. Emotioneel, trots, talentvol, een
winnaar, maar ook zo vaak in zijn loopbaan een schlemiel. Het hart
had hij altijd op de tong. En bovenal was hij een knokker. Zowel op
de baan als ernaast. Nigel Mansell, Red Five, moest het hebben van
zijn onverzettelijkheid en zijn aanvalsdrift. Zijn do-or-die
rijstijl. Hij was geen stylist zoals Jim Clark of Stirling Moss ooit
waren geweest, maar meer een ruwe, vechtende racer. Die
eigenschappen waren herkenbaar voor de volkse Britten. Zij droegen
hem dan ook op handen. Niet in de minste plaats omdat Nigel ook nog
eens op en top Brits was. De Union Jack sierde zijn helm vol trots.
Nigel Mansell was trots op Groot-Brittannië en Groot-Brittannië was
trots op hem. En dat lieten ze merken ook. Zoals alleen zij dat
kunnen verzonnen de Britten er weer een schitterende term bij:
‘Mansell mania‘.
Een dag eerder, op
zaterdag, werd Mansell nog verrast door zijn aartsrivaal en
teamgenoot Piquet. De Braziliaan pakte pole position met een tiende
verschil. Achter de Williamsen namen Senna en Prost hun plaatsen in
op de grid. Even leek het mis te gaan bij de start. Prost was als
snelste weg en pakte meteen de leiding. Maar daar wilden de Williams
rijders niets van weten. Een paar bochten later was de orde al
hersteld. Als eerste ging Piquet langs de McLaren en daarna gleed
ook Mansell er soepeltjes langs. De afstand met de achtervolgers
groeide al snel. De Williams-Honda’s waren die dag superieur, zoveel
was na een paar ronden eigenlijk al duidelijk. Maar de Britten zagen
de achterstand van Mansell op Piquet ineens groeien. Kon Red Five de
Braziliaan niet bijhouden of was er meer aan de hand? Het was het
laatste. Mansell voelde vibraties in zijn banden en moest een
ongeplande pitstop maken. De hoop van de Britten leek vervlogen. De
achterstand na de stop was opgelopen tot zo’n halve minuut met nog
‘maar’ 28 ronden te gaan. Maar toen stond de staatvechter op. Met
vers rubber begon hij aan een inhaalrace. Ronde na ronde verpulverde
hij het baanrecord. Dit was zijn land. Dit waren zijn mensen. Dit
was zijn dag. De door hem zo gehate Piquet mocht dit feestje niet
verpesten.
Maar heldendaad of niet,
aan het einde van het jaar was het aartsrivaal Piquet die de
wereldtitel zou grijpen. Een onnodige crash tijdens de training voor
de GP van Japan verwondde Mansell’s been zodanig dat hij de laatste
twee races van het seizoen niet meer kon rijden. En dat terwijl de
titel voor het grijpen lag. Want zijn rivaal Piquet zou geen enkel
punt meer pakken in die resterende races. Desondanks werd de
Braziliaan zo voor de derde en laatste keer in zijn loopbaan
wereldkampioen. Hij won slechts drie races, terwijl Mansell zes
zeges boekte. De grote droogte van de Britten zou dus nog langer
gaan duren. Williams raakte na dit jaar zijn Honda turbo’s kwijt aan
McLaren en moest zich het jaar erop behelpen met de matige
atmosferische Judd motoren. Het seizoen 1988 was kansloos voor
Nigel. Achteraf gezien legde Mansell en Williams dat jaar een eerste
basis voor iets wat hen later aan de titel zou helpen. Williams
begon volop te experimenteren met de actieve vering waarmee ze later
zo succesvol zouden worden.
|
|||||||
|
Idee, ontwerp en webmaster: Jos Van Aken F1-Geschiedenis.be - 2004 |