KALENDER 1960

Nr

Datum

Grand Prix van

 

Circuit

85 07/02/1960 Argentinië ARG  Buenos Aires
86 29/05/1960 Monaco MON  Monte Carlo
87 30/05/1960 500 mijl van Indianapolis  USA  Indianapolis
88 06/06/1960 Nederland NED  Zandvoort
89 19/06/1960 België BEL  Spa-Francorchamps 
90 03/07/1960 Frankrijk FRA  Reims
91 16/07/1960 Groot-Brittannië GBR  Silverstone
92 14/08/1960 Portugal POR  Porto
93 04/09/1960 Italië ITA  Monza
94 20/11/1960 USA USA  Riverside

VOORBESCHOUWING SEIZOEN 1960

De Cooper met de motor achterin had zijn visitekaartje zeker afgegeven vorig seizoen. Zelfs bij Ferrari was men overtuigd dat hun nieuwe modellen ook hun motor achterin moesten hebben. Hun nieuwe type was korter en lichter dan zijn voorganger. Het eindresultaat was eigenlijk een experimentele versie van het type D246. Hij werd ingezet vanaf de tweede race, de Grand Prix van Monaco. Daarna besliste Ferrari om de rest van het seizoen toch maar af te werken met de oude versie. Hier waren er alleen wat details aan veranderd ten opzichte van vorig seizoen.
 
Ook Colin Chapman volgde de ‘nieuwe’ trend en ontwierp de Lotus 18. De motor zat ook hier dus achterin. De Lotus 18 trok eigenlijk wel een beetje op het vorige model, maar was verrassend genoeg minder gestroomlijnd, was zeker lichter en de voorkant kwam veel lager bij de grond. De coureur zijn zitpositie was ook helemaal anders. De coureur zat veel lager in de wagen. Dat de nieuwe wagen een succes zou worden, werd al meteen duidelijk tijdens de eerste Europese Grand Prix van het seizoen, die van Monaco. Stirling Moss behaalde, met de Lotus 18 ingeschreven door Rob Walker, meteen de zege. Het was trouwens de eerste zege van Lotus uit een lange rij.
 
Cooper, dat de constructeurstitel had gewonnen in 1959 en Jack Brabham aan de wereldtitel had geholpen, liet hun wagens nagenoeg ongewijzigd. De enige verandering die Cooper had doorgevoerd was dat er een nieuwe achterwielophanging in de wagens zat. Ook was hij nu uitgerust met een vijf-versnellingsbak.
 
Het was dan ook geen verrassing dat de vele privé-teams vooral interesse hadden om zich een Cooper aan te schaffen. Er was zelfs een Cooper die aangedreven werd door een Ferrari krachtbron. Het team Eugenio Castellotti, een privé-team van een Italiaans concern kreeg de naam van deze overleden Italiaanse coureur. Coventry-Climax motoren werden gebruikt door de Coopers die ingeschreven werden door het ‘Yeaman Credit Racing Team’.
 
De wagens van BRM hadden niet veel wijzigingen ondergaan ten opzichte van vorig seizoen. Ook al hadden ze de motoren dan naar achteren van de wagens geplaatst. Ook het andere Britse team, Aston Martin, bleef met dezelfde wagen rijden. Ondanks dat er in de loop van het seizoen een nieuw model verscheen (DBR5), kon Aston martin geen successen behalen. Later op het seizoen zouden ze zelfs de handdoek gooien.
 
Tijdens het seizoen maakte het Amerikaanse Scarab een paar keer zijn opwachting. Maar hun wagens, net als die van Aston martin trouwens, waren veel te zwaar en hadden te weinig vermogen. Dit Amerikaanse team kon dan ook op geen enkel moment meedingen naar podiumplaatsen.

 

Motor: Maximum 2500cc (atmosferisch) of 750cc (met compressor) 

Puntenverdeling: de eerste zes kregen 8-6-4-3-2 en 1 punt. 

De beste 6 resultaten telden mee voor het Wereldkampioenschap.

Afstand: Minimum 300 km en maximum 500 km of 2 uur minimum. 

© F1-Geschiedenis
Oorspronkelijk idee, ontwerp en webmaster: Jos Van Aken (2004-2006)

Nedstat Basic - Free web site statistics