GRAND PRIX VAN MONACO 1967

25e Grand Prix Automobile de Monaco

MON

VERSLAG VAN DE RACE

Grand Prix van Monaco 1967

Voor de 25e Grand Prix van Monaco werden, zoals gewoonlijk op dit smalle stratencircuit, maar 16 wagens toegelaten tot de race. Met 19 coureurs die zich ingeschreven hadden, moesten er tijdens de trainingen dus drie afvallen. De 19 werden verdeeld over de teams van Matra (die hier hun debuut maakte met een F2-wagen), BRM, Honda, Brabham, Cooper, Lotus, McLaren, Ferrari en Eagle. Van privé-zijde waren Reg Parnell, Rob Walker en DW Racing Enterprises aanwezig. De organisatoren hadden beslist om de teams die de laatste drie jaar Grand Prix wagens bouwden elk twee startplaatsen te garanderen. Daardoor waren BRM, Brabham, Cooper, Lotus, Ferrari en Honda verzekerd van hun startplaatsen, al was dat voor Honda dan slechts één. Dat betekende dat 11 van de 16 startplaatsen op voorhand al waren toegewezen. De andere 8 coureurs konden dus strijden voor de 5 overgebleven startplaatsen.

Op de eerste trainingsdag, die zoals gewoonlijk in Monte Carlo op donderdag plaatshad, was het van in het begin erg druk op de baan. De enige afwezigen waren de coureurs van het team van Lotus. Het team was namelijk nog niet gearriveerd! Onder ideale omstandigheden was Jackie Stewart de snelste met een tijd van1’29,5”. Hij was daarmee de enige coureur die sneller reed dan de grens van 1’30”. Hij begon deze Grand Prix met de V8-BRM motor van 2.0 liter. Op de tweede plaats eindigde Denny Hulme. Zijn teamgenoot, Jack Brabham, had geen tijd kunnen neerzetten, want voordat hij daaraan toekwam, blies hij zijn Repco motor op. Ook Bruce McLaren had pech in de training. De achterwielophanging van zijn M4B brak af zodat ook hij het grootste gedeelte van de training als toeschouwer kon volgen.

Op vrijdagmorgen arriveerde ook het team van Lotus. Bij Jack Brabham hadden de mecaniciens gans de nacht doorgewerkt om een splinternieuwe Repco motor in zijn wagen in te bouwen. Iedereen was dus klaar voor de tweede training! Jim Clark maakte al direct een grote indruk op het publiek door in zijn Lotus 33, uitgerust met een 2.0 liter Climax motor, een tijd van 1’29,1” te rijden. Op het einde van de training bleek dat goed voor een derde plaats. John Surtees ging in zijn Honda naar 1’28,4”. Dit bleek op het einde de snelste tijd te zijn van deze training. Hij werd gevolgd door Jackie Stewart, met een tijd van 1’29,0”. Ondertussen hadden er weer enkele coureurs te kampen met allerlei technische problemen. Eén van hen was Jean Pierre Beltoise. Hij kwam aan de start voor het team van Matra. Hij reed hier met een Formule 2 wagen waaraan ballast was toegevoegd om te voldoen aan de F1 reglementen. Hij kwam in deze training tot stilstand met een afgebroken achterwielophanging. Piers Courage en Lorenzo Bandini waren beiden te optimistisch geweest en beschadigden hun wagen tegen de vangrails.

Tijdens de laatste training, op zaterdag, probeerde iedereen zich wanhopig te kwalificeren. Lorenzo Bandini maakte zijn misstap van de dag ervoor al snel goed. Hij reed een ronde in 1’28,3”, wat op het einde van de training goed was voor de tweede startplaats op de eerste rij. Helemaal op het einde van de training werd deze tijd immers nog verbeterd door Jack Brabham. Hij reed een tijd van 1’27,6”, wat ruimschoots voldoende was voor de pole positie. Op de tweede rij mochten John Surtees, in zijn Honda, en Denny Hulme in de Brabham plaatsnemen. Jim Clark evenaarde de 1’28,0” van Denny Hulme wel, maar dat was pas voldoende voor een plaats op de derde rij. Van de coureurs die zich moesten kwalificeren, hadden Dan Gurney, Bruce McLaren en Jo Siffert daar weinig problemen mee. De Amerikaan was tijdens elke training de snelste, op korte afstand gevold door Bruce McLaren en Jo Siffert. De laatste twee plaatsen gingen naar Johnny Servoz-Gavin en Piers Courage. Daardoor werden Bob Anderson, Jean Pierre Beltoise en Richie Ginther op zondag toeschouwers.

Louis Chiron had de eer om op zondagnamiddag de start te mogen geven. Het was Lorenzo Bandini die naar de leiding schoot. Jack Brabham had zich van deze race wellicht meer voorgesteld, want halfweg de eerste ronde blies hij zijn splinternieuwe Repco motor al op. De rest van het deelnemersveld werd wat opgehouden, maar uiteindelijk geraakte iedereen toch voorbij Jack Brabham. In deze verwarring had Jo Siffert echter de radiator van zijn wagen beschadigd. Er zat voor hem dan ook niets anders op dan direct de pit te gaan opzoeken, waar de mecaniciens de radiator konden vervangen. Ook Jack Brabham geraakte nog in de pit. Hij was verwonderd dat zijn motor het zo snel had begeven. Wat hij niet wist, was dat hij een enorm oliespoor op de baan had achtergelaten. Ondertussen hadden de leiders er hun eerste ronde opzitten. Achter Lorenzo Bandini was de volgorde: Denny Hulme, Jackie Stewart, John Surtees, Dan Gurney, Bruce McLaren en Jim Clark. Toen de leiders in de chicane arriveerden, vloog er veel cementstof omhoog. Dat hadden de marshals bliksemsnel op het oliespoor van Jack Brabham gelegd. In de verwarring die daarbij ontstond bij de coureurs gingen Denny Hulme en Jackie Stewart voorbij Lorenzo Bandini. Jim Clark verremde zich en moest de uitloopstrook opzoeken. Hij kon pas als één van de laatsten terug de baan opkeren. Ondertussen was Jochen Rindt, die op de laatste rij was gestart, al opgerukt naar een zevende plaats.

Het gevecht vooraan in de race was fel. Dan Gurney ging John Surtees en Lorenzo Bandini voorbij. Helaas gaf een ronde later zijn brandstofpomp de geest. De volgende coureur die de strijd moest staken was Jackie Stewart. Hij had in de zesde ronde de leiding van Denny Hulme overgenomen, maar stond nu aan de kant met een differentieel dat stuk was. Denny Hulme nam de leiding terug over. Zijn voorsprong op Lorenzo Bandini bedroeg ongeveer zes seconden. Daarna volgden John Surtees, Bruce McLaren en Jochen Rindt. Deze laatste gaf echter ook in de 15e ronde op omdat de versnellingsbak van zijn Cooper het begaf. De vijfde plaats werd nu overgenomen door Jim Clark, die al een mooie remonte had gemaakte na zijn uitstapje in de tweede ronde.

Na een kwart van de race had Denny Hulme 14 seconden voorsprong op een trio bestaande uit John Surtees, Bruce McLaren en Jochen Rindt. Achter hen kwam Jim Clark die alsmaar dichter kwam. In de 28e ronde ging Bruce McLaren voorbij de Honda van John Surtees, die bovendien lichtjes begon te roken. De snelheid begon duidelijk af te nemen bij John Surtees en in de volgende ronde werd hij ook gepasseerd door Jim Clark. Drie ronden later ging ook Chris Amon hem voorbij. John Surtees vond het welletjes zo. Hij wou in de pit stoppen, maar in de chicane stopte de Honda er helemaal mee. Ondertussen was de voorsprong van Denny Hulme alsmaar gegroeid. Interessanter was dat Jim Clark de aansluiting met Bruce McLaren voor elkaar had gekregen. Op het einde van de 40e ronde opende Jim Clark de aanval op de Nieuw-Zeelander. Hij zou echter nooit voorbij de McLaren geraken, want in de 43e ronde, vlak voor ‘Tabac’, begaf immers de ophanging het. De Lotus spinde in de muur en Jim Clark kon niets anders doen dan de race verlaten.

Halfweg bleven er nog maar acht wagens over in de race. Vijf van hen reden nog in dezelfde ronde rond. Lorenzo Bandini had wel wat van de voorsprong van Hulme weten af te knijpen. Deze bedroeg nu nog 9 seconden. Twee ronden later was Lorenzo Bandini al teruggekomen tot op zeven seconden van Hulme. Lorenzo Bandini werd echter moe en kon dit hoge tempo niet blijven volhouden. In de 70e ronde bedroeg het verschil tussen de twee opnieuw 14 seconden. Op de derde plaats maakte Bruce McLaren zich grote zorgen, want zijn motor klok alsmaar slechter. In de 71e ronde ging hij de pit in, waar de mecaniciens de batterij vervingen. Hij verloor daar niet alleen twee ronden maar ook zijn derde plaats aan Chris Amon. Ook Graham Hill schoof zo een plaatsje op. Zijn achterstand op Chris Amon bedroeg wel meer dan één ronde.

n° 18 - Lorenzo Bandini - Ferrari 312

Na 80 ronden had Denny Hulme al opnieuw 20 seconden voorsprong op Lorenzo Bandini. De race leek gereden, maar in de 82e ronde sloeg het noodlot toe. Lorenzo Bandini raakte in de chicane de afsluiting en zijn Ferrari sloeg over de kop. Meteen daarna vloog hij tevens in brand. Lorenzo Bandini werd nog uit de vlammenzee gered en met zware brandwonden afgevoerd naar het hospitaal. Drie dagen later zou hij echter aan de opgelopen verwondingen bezwijken. Dit ongeval overschaduwde de rest van de race. Denny Hulme won zijn eerste Grand Prix. Graham Hill eindigde, met een ronde achterstand alsnog tweede. Chris Amon was immers nog lek gereden, waardoor hij in de pit een nieuw wiel moest laten monteren. De vierde plaats was voor Bruce McLaren voor Pedro Rodriguez en Mike Spence.

In de stand voor het wereldkampioenschap had Denny Hulme nu 12 punten. Dat was er eentje meer dan Pedro Rodriguez die er 11 had. Dan volgde John Love en Graham Hill met ieder 6 punten. Bij de constructeurs had Brabham/Repco 12 punten voor Cooper/Maserati met 11. Cooper/Climax en Lotus/BRM hadden er ieder 6.

© F1-Geschiedenis
Oorspronkelijk idee, ontwerp en webmaster: Jos Van Aken (2004-2007)

Nedstat Basic - Free web site statistics