
|
n°
3 - Jack Brabham - Brabham BT24 |
Slechts 15 deelnemers kwamen opdagen voor de Grand Prix van Frankrijk. Deze waren verdeeld over de teams van Ferrari, Brabham, Lotus, Eagle, BRM en Cooper. Van privé kant waren de teams van Rob Walker, Reg Parnell, Guy Ligier en DW Racing Enterprises aanwezig. Ferrari was maar met één wagen aanwezig terwijl het volledige team van McLaren en Honda niet aanwezig waren. Dit had vooral te maken dat die teams niet meer over een goede motor beschikten.
Om financiële en politieke redenen werd de Grand Prix van Frankrijk dit jaar verreden op het circuit van Le Mans. Niet op het fameuze ’24-uurs circuit’, maar op het ‘Mickey Mouse’ Bugatti circuit, genoemd naar de gelijknamige autofabrikant. Het werd vorig jaar gebouwd om dienst te doen als circuit voor de ‘race school’. Gelukkig zat er wel het rechte stuk met alle accommodatie in vervat van zijn grotere broer. De rest van het 4,422 km lange circuit bestond uit scherpe bochten gevolgd door een recht stuk.
De eerste anderhalf uur van de eerste training op vrijdag, viel er niet veel te beleven. De transportwagen die de Lotus racewagens tot op het circuit moest brengen, was nog niet aangekomen, waardoor Graham Hill en Jim Clark als toeschouwer konden toezien. De twee Brabham wagens eindigden nu op de eerste twee plaatsen. Jack Brabham was met een tijd van 1’37,9” net 0,1 seconde sneller dan Denny Hulme. Op zaterdag verbeterde Jack Brabham zich tot 1’36,3”. De pole positie leek daarmee verzekerd. De twee Lotussen waren nu wel present, maar alle twee hadden ze te kampen met motorproblemen. Net op het einde van de training konden de mecaniciens het probleem van de motor van Graham Hill oplossen. Meteen daarna reed hij een tijd van 1’36,2” en veroverde zo op het nippertje toch nog de pole positie. Net als op vrijdag, eindigde Dan Gurney op de derde plaats. Hij mocht dan ook van op de derde plaats op de eerste rij vertrekken. Jim Clark en Bruce McLaren namen de tweede rij voor hun rekening en Denny Hulme zakte terug naar de derde startrij. Jackie Stewart, die de eerste training met de H16 motor reed, wisselde voor deze training naar de V8 motor die ingezet werd door het team van Reg Parnell. Hij was op zaterdag echter 0,2 seconde trager dan Chris Irwin, die nu in de H16 BRM motor reed.
Eens te meer was het de Lotus 49 die het snelste wegkwam toen de vlag viel. Graham Hill werd op de hielen gezeten door Dan Gurney, Jack Brabham, Jim Clark en Chris Amon. In de 2e ronde nam Jack Brabham echter de leiding over zodat de Eagle van Dan Gurney nu in de sandwich zat bij de twee Lotussen. Op de Lotus van Jim Clark had het team na de training van gisteren de motor vervangen. De wagen liep weer gesmeerd. Het duurde dan ook niet lang of Jim Clark liet dat ook zien. In de 3e ronde ging hij voorbij de Eagle van Dan Gurney. De volgende ronde ging Jim Clark voorbij zijn teamgenoot en nog twee ronden later had de race een nieuwe leider. Kort daarna ging Graham Hill ook voorbij Jack Brabham. In de 7e ronde leek alles er op te wijzen dat de Lotussen er een demonstratie van gingen maken. In de 11e ronde nam Graham Hill de leiding over. Jack Brabham, die nog steeds op de derde plaats reed, had al een achterstand van 10 seconden. Plots, in de 14e ronde, moest Graham Hill de pit opzoeken. Het differentieel van zijn wagen was stuk. 9 ronden later stond ook Jim Clark daar met net hetzelfde probleem. Jack Brabham kwam zo terug aan de leiding van de wedstrijd. Net achter hem reed Dan Gurney. Een halve minuut daarna volgde Chris Amon, die zelf in een hevig gevecht verwikkeld was met Denny Hulme. Daarachter volgden Pedro Rodriguez, Jochen Rindt, Bruce McLaren en Jackie Stewart. Jo Siffert en Chris Irwin hadden al meer dan een ronde achterstand. Guy Ligier, de enige andere coureur nog op de baan, was na een lange pitstop, nog verder achterop geraakt.
In de 26e ronde kwam Bruce McLaren de pit in. Op zijn motor waren er ontstekingsproblemen. De mecaniciens konden het probleem niet herstellen zodat zijn race er op zat. Ondertussen reden Jack Brabham en Dan Gurney nog steeds in de buurt van elkaar. En toch leek het er op dat Jack Brabham alles onder controle had. De Brabham leek sneller in de bochten terwijl de Eagle sneller was op het rechte stuk. Voor de derde plaats had Denny Hulme de overhand genomen op Chris Amon. 15 seconden later volgden de twee Coopers, die van Jochen Rindt en Jo Siffert. In de 34e ronde moest Jochen Rindt echter de strijd staken met een opgeblazen motor.
Halfweg kreeg Dan Gurney problemen met zijn Weslake motor. Daardoor kon Jack Brabham hem achterlaten. In de 41e ronde stopte de Amerikaan net voor de pit. Door een brandstoflek kreeg zijn motor niet genoeg benzine meer. De spanning was nu helemaal uit de race verdwenen. Het werd uiteindelijk een demonstratie van het team van Brabham. Jack Brabham reed 50 seconden voor Denny Hulme. Chris Amon deed wat hij kon om Denny Hulme bij te houden, maar elke ronde groeide het gat tussen de twee. In de 48e ronde brak dan plots de gaskabel van de Ferrari af, waardoor ook Chris Amon bij de opgevers kwam te staan. Pedro Rodriguez stond ook net in de pit. De mecaniciens probeerden daar zo snel mogelijk een brandstofleiding te herstellen. Jackie Stewart schoof zo op naar de derde plaats, voor Jo Siffert en Chris Irwin.

|
n°
8 - Bruce McLaren - Eagle T1G
|
Het enige dat er toen in de race nog gebeurde, was dat de BRM H16 motor van Irwin hevig begon te roken door een olielek. Met de finish in zicht deed hij er alles aan om de eindstreep te bereiken. In de 77e ronde moest hij echter toch aan de kant gaan staan. Daardoor kon Jo Siffert met zijn Cooper toch nog de vierde plaats in de wacht slepen. Ondertussen was Jack Brabham voorbij de eindstreep gekomen met een voorsprong van ruim 50 seconden op Denny Hulme. Derde werd Jackie Stewart voor Jo Siffert. Vijfde werd in extremis toch nog Chris Irwin voor Pedro Rodriguez, die toch nog terug op de baan verscheen, en zo de zesde plaats bemachtigde.
In de stand voor het wereldkampioenschap had Denny Hulme nu 22 punten. Dan volgden Jack Brabham met 16 punten, Pedro Rodriguez met 12 punten en Chris Amon met 11 punten. Bij de constructeurs had Brabham/Repco met 27 punten. Dan volgden Cooper/Maserati met 17 punten voor BRM en Ferrari met 11 punten.
|