
|
Grand
Prix van Groot-Brittannië 1967 - De start |
Voor de Grand Prix van Groot-Brittannië kwamen 21 coureurs opdagen. Deze waren verdeeld over de teams van Brabham, BRM, Lotus, Honda, Ferrari, Eagle en Cooper. Reg Parnell, Rob Walker en DW Racing Enterprises waren de belangrijkste inschrijvingen van privé-teams.
Na hun teleurstellende prestatie tijdens de Grand Prix van Frankrijk, bracht Colin Chapman, van het Lotus team, de versnellingsbakken terug naar de ZF fabriek in Duitsland. Deze brachten enkele wijzigingen aan om een herhaling van de problemen te voorkomen. Tijdens de eerste training had Lotus echter af te rekenen met dezelfde problemen met hun motoren als in Frankrijk. Toch reed Jim Clark in de voormiddag nog de derde tijd achter Jack Brabham en Denny Hulme.
In de namiddag was er nog een training van een uur voorzien. Ondanks het feit dat de Ford motor nog steeds niet helemaal op punt stond, reed Jim Clark de snelste tijd van de eerste trainingsdag. Hij deed 1’26,5” over één ronde. Dat was net 0,1 seconde sneller dan Jack Brabham deze morgen reed. Derde werd Dan Gurney, die net voor Denny Hulme eindigde. De Amerikaan reed 1’27,3”. Bruce McLaren, die weer in de tweede Eagle reed, kwam tijdens deze eerste trainingsdag amper aan rijden toe. De mecaniciens waren al een hele dag aan het differentieel van de wagen aan het werk. Ook Mike Spence was bijna de volledige tijd tot de rol van toeschouwer veroordeeld. In één van zijn eerste ronden brak zijn voorwielophanging af in ‘Copse Corner’.
Het probleem met de Ford motoren werd eindelijk opgelost toen Keith Duckworth ontdekte dat er te veel brandstof uit het brandstofsysteem kwam. Onmiddellijk reden Graham Hill en Jim Clark de snelste tijden. Uiteindelijk reed Jim Clark naar de pole positie met een tijd van 1’25,3”. Graham Hill stond naast hem op de tweede plaats, met een tijd van 1’26,0”. Net voor het einde van de training begaf op de Lotus van Graham Hill de achterwielophanging het. Hij kon, met een zwaar beschadigde Lotus, toch nog de pit bereiken. Ook op de BRM van Jackie Stewart begaf de ophanging het. Hij nam het stuur over van de BRM, ingeschreven door Reg Parnell. Daardoor kon Piers Courage niets anders doen dan de race als toeschouwer bij te wonen. Ondertussen konden Jack Brabham en Denny Hulme hun tijden van gisteren ook verbeteren. Ze kwamen beiden, naast de Lotussen, op de eerste rij postvatten. Dan Gurney, die slechts 0,1 seconde trager was dan Denny Hulme, stond op de tweede rij. Naast hem stonden de Ferrari van Amon en de Honda van Surtees. Deze laatste ging veel sneller nadat het Japanse team de motor had vervangen.
De mecaniciens van Lotus hadden een drukke nacht achter de rug. Maar uiteindelijk slaagden ze er in om toch een nieuwe wagen voor Graham Hill klaar te krijgen voor de race. Deze bestond uit een nieuw monocoque chassis, die het team toch al aan het opbouwen was, aangevuld met heel wat onderdelen uit de ‘afgeschreven’ wagen. Net op tijd kon Graham Hill de 19 collega’s op zaterdagnamiddag gaan vervoegen op de startgrid. Net na de start schoten de twee Lotussen naar de leiding. Denny Hulme van zijn kant, nam een slechte start en viel terug tot de 8e plaats. Zijn teamgenoot Jack Brabham probeerde in het spoor van de twee Lotussen te blijven. Ook Chris Amon en Dan Gurney hadden een goede start genomen. Dan volgde Jackie Stewart en de rest van het veld. Jo Bonnier stopte al in de eerste ronde met een motorprobleem. Mike Spence was in de 2e ronde de eerste coureur die de pit opzocht. Een transistor in zijn motor stond in brand. Het vuur was erg snel gedoofd maar de herstelling nam toch 10 minuten in beslag. Ondertussen was Jack Brabham er in geslaagd om Graham Hill, die duidelijk was problemen had met zijn nieuwe Lotus, te passeren. Jim Clark leek echter te snel voor de rest en reed weg van de tegenstand. Denny Hulme probeerde, na zijn slechte start, terrein goed te maken. In de 2e ronde ging hij voorbij John Surtees, even later ook voorbij Stewart, Dan Gurney kwam in de 7e ronde aan de beurt en uiteindelijk Chris Amon in de 9e ronde. Hij reed nu vlak achter zijn kopman. Deze was net daarvoor gepasseerd door Graham Hill.
Het was duidelijk dat Graham Hill zijn rijstijl nu aangepast had aan de nieuwe wagen. Hij reed weg van Jack Brabham, Denny Hulme, Chris Amon en Dan Gurney, die nog steeds erg dicht bij elkaar reden. Hij kwam bovendien ook dichter bij de leider Jim Clark. Ondertussen waren Jackie Stewart en John Surtees voorbij gegaan door Pedro Rodriguez en Bruce McLaren. Deze laatste moest even later, in de 14e ronde, naar de kant met een opgeblazen motor. Zes ronden later kreeg hij het gezelschap van Jackie Stewart. Denny Hulme ging even later voorbij zijn kopman, maar afgezien daarvan bleven de posities tot de 26e ronde ongewijzigd. Tegen die tijd was Hill tot in het spoor van Jim Clark geraakt. Dan nam hij ook de leiding over. Ongeveer gelijktijdig kreeg Dan Gurney problemen met de koppeling. Dat was de reden dat de Eagle het contact met de twee Brabhams en de Ferrari verloor. In de 34e ronde dwong dit probleem hem tot de opgave. Op dat moment reden er maar zes wagens meer in dezelfde ronde. 20 ronden lang gebeurde er dan weer niets. De twee koplopers reden weg van de rest en dubbelden met gemak de andere deelnemers.

|
n°
20 - David Hobbs - BRM P261
|
Maar plots, in de 55e ronde, reed Graham Hill erg traag over de baan. Er was een bout van zijn achterwielophanging losgekomen. Daardoor had het linker achterwiel geen contact meer met de baan. Toch wist Graham Hill de wagen nog tot in de pit te brengen, waar de mecaniciens direct de losgekomen bout vervingen. Korte tijd later was hij weer aan het racen, al was hij wel teruggevallen tot de zevende plaats. Hill begon direct jacht te maken op John Surtees. Op het moment dat hij nog 5 seconden achterstand had, dat was 10 ronden later, blies hij zijn Ford Cosworth motor op, wat uiteraard het einde van zijn race betekende. Gelukkig voor het team van Lotus liep alles met Jim Clark gesmeerd. De enige reden dat Denny Hulme, op het einde van de race, de achterstand wat kon verkleinen, was omdat Jim Clark het de laatste ronden erg rustig deed. Op de eindstreep had Jim Clark bijna 13 seconden voorsprong op Denny Hulme. 4 seconden later werd Chris Amon derde. Hij was in de 76e ronde bij het ingaan van ‘Woodcote’ naast Brabham gekomen. Hij accelereerde sneller en passeerde hem voor de pit. Pedro Rodriguez werd, na een anonieme race, vijfde voor John Surtees. Voor Jim Clark was dit de vijfde zege in de Grand Prix van Groot-Brittannië in de laatste zes jaar.
Het eerste deel van het kampioenschap zat er op. Denny Hulme stond op kop met 28 punten. Met 9 punten achterstand volgden dan Jim Clark en Jack Brabham. Chris Amon had al 15 punten weten te verzamelen. Bij de constructeurs had Brabham/Repco nu al 33 punten. Tweede stonden Lotus/Ford en Cooper/Maserati met 19 punten. Op de vierde plaats stond Ferrari met 15 punten.
|
Stand
na de GP van Groot-Brittannië |
|
Pos
|
Coureur
|
Punten
|
|
1
|
Denny
Hulme
|
28
|
|
2
|
Jim
Clark
|
19
|
|
|
Jack
Brabham
|
19
|
|
4
|
Chris Amon
|
15
|
|
Pos
|
Constructeur
|
Punten
|
|
1
|
Brabham/Repco
|
33
|
|
2
|
Lotus/Ford
|
19
|
|
|
Cooper/Maserati
|
19
|
|
4
|
Ferrari
|
15
|
|