|
De Ford-Cosworth motor had het ganse seizoen 1968 gedomineerd. Elf van de twaalf wedstrijden hadden ze gewonnen. In 1969 zouden ze alle wedstrijden winnen! De enige concurrentie voor Ford-Cosworth kwam van Ferrari en BRM. Geen van de twee V12 motoren bleek echter competitief en betrouwbaar te zijn. Alle andere concurrenten hadden zich teruggetrokken. Bij Brabham hadden ze de Repco motor vervangen door de Ford-Cosworth terwijl het A.A.R. Eagle team hun Grand Prix project opgaf om zich te concentreren op USAC Racing. Bij Matra handden ze dan weer besloten om met hun eigen team zich te concentreren op de Sport Car Racing. Hun Formule 1 activiteiten werden echter verder gezet door het team dat geleid werd door Ken Tyrrell (Matra International). Honda had zich ondertussen in alle stilte teruggetrokken en Cooper vond geen sponsor en bandenleverancier om hun F1 avontuur te verlengen.
Ondanks het feit dat de Ford-Cosworth motor veel sterker bleek dan de rest zaten ze niet stil bij de motorenbouwer. Op het einde van 1968 werden er dan ook heel wat aanpassingen aan de motor gemaakt. Daardoor steeg het vermogen tot 430 PK bij 10.000 t/min. Ondanks het feit dat de motor alle wedstrijden won, hadden ze ook nog problemen. In de loop van het seizoen werden er dan ook nog verdere aanpassingen gemaakt, vooral aan de kleppen, om de problemen op te lossen.
Bij de chassisbouwers was er dit seizoen weinig nieuws te rapen. Wereldkampioen Lotus ging verder met hun Lotus 49B en bij Brabham werd het type BT26 verder gebruikt. Het chassis werd wel aangepast om de Ford motor te kunnen gebruiken en werd dan BT26A genoemd. Bij McLaren was de M7B en M7C niets anders dan een M7A waar enkele details waren op gewijzigd. De M7B, waar McLaren aan de start mee verscheen tijdens de Grand Prix van Zuid-Afrika, was amper te onderscheiden van de M7A. Korte tijd later werd de wagen verkocht aan het team van Colin Crabbe (Antique Automobile Ltd). Die contacteerden Vic Elford als coureur. Bruce McLaren zelf reed de rest van het seizoen met de M7C.
Een ander team dat dit seizoen gebruik maakte van de Ford motoren was Matra. Hun nieuwe MS80 verscheen voor het eerst tijdens de trainingen voor de Grand Prix van Zuid-Afrika. De wagen werd gebruikt door Jackie Stewart en Jean Pierre Beltoise.
Zoals al eerder vermeld, kwam de enige concurrentie voor Ford Cosworth van Ferrari en BRM. Beide hadden echter een teleurstellend seizoen. Ferrari trok zich zelfs tijdelijk terug om zich volop te kunnen concentreren op de ontwikkeling van een nieuwe V12 motor. De Ferrari wagen die Pedro Rodriguez bestuurde tijdens de laatste drie Grand Prix’ van het seizoen waren uitgeleend aan het ‘North American Racing Team’ en ook door hun dus ingeschreven. Het type 312/69 waar het team dit seizoen mee reed, was dezelfde wagen als vorig seizoen op enkele details na. De motor had nu 435 PK. Het was echter al snel duidelijk dat de 312 niet langer een competitieve wagen was. De wagen kon niet meer wedijveren met de teams die een Ford motor hadden, noch wat betreft de snelheid, noch wat betreft de acceleratie. Het beste resultaat dat Ferrari dit seizoen behaalde was een derde plaats van Chris Amon tijdens de Grand Prix van Nederland.
BRM bevond zich ongeveer in dezelfde situatie met hun 48 kleppen motor. Volgens hun eigen gegevens leverde de motor 450 PK bij 10.500 t/min. Maar het ontbrak de motor aan snelheid en vooral betrouwbaarheid. Net als bij Ferrari was hun huidige wagen maar weinig verschillend van hun vorige wagen. Hun nieuwe P139 verscheen voor het eerst tijdens de trainingen voor de Grand Prix van Nederland en vanaf de Grand Prix van Groot-Brittannië werd hij ook in de race ingezet. Door de slechte prestaties werd halfweg het seizoen hun teammanager en hoofdingenieur Tony Rudd, na 20 jaar trouwe dienst, op een zijspoor gezet. In zijn plaats kwamen Aubrey Woods, als hoofdingenieur en verantwoordelijke voor de motorontwikkeling, Tony Southgate, als hoofd van de afdeling die het chassis ontwikkelde en Tim Parnell als teammanager.
Er was dit seizoen wel veel belangstelling voor de experimenten die de verschillende teams uitvoerden met hun vier wiel aangedreven wagens. Maar geen van al deze projecten bleek succesvol te zijn. De eerste vier wiel aangedreven wagens die verschenen, waren de Lotus 63 en de Matra MS84. Beide wagens maakten hun debuut tijdens de Grand Prix van Nederland. De Matra MS84 leek erg op de Matra MS80, terwijl de Lotus 63 gebaseerd was op hun Indianapolis model. Deze laatste was duidelijk het meest geavanceerde model. Ondanks het feit dat ook Ford-Cosworth hun eigen vier wiel aangedreven wagen ontwikkelde, kwam deze wagen nooit verder dan een testrit. Ook bij McLaren maakte de M9A maar een korte verschijning tijdens de Grand Prix van Groot-Brittannië. Op het einde van het seizoen werden alle projecten gestopt. Geen enkel model kon overtuigen. Ondertussen hadden de banden immers zo een evolutie achter de rug dat het vermogen nu ook op twee banden goed kon worden overgebracht. Het extra gewicht en de complexiteit van de vier wiel aangedreven wagens werd dan ook opgegeven.
Een ander interessant gegeven was de blijvende ontwikkeling van de aërodynamische hulpmiddelen. Vleugels werden groter en hoger dit seizoen. Maar, door de extra downforce die zo gecreëerd werd, braken meerdere keren de steunen waarop de vleugels werden geplaatst af. Graham Hill en Jochen Rindt hadden ten gevolge van zo een breuk beiden een zwaar ongeval. Er werd ingegrepen en nieuwe reglementen uitgevaardigd om de veiligheid te verhogen.
Op het gebied van de coureursbezetting waren er wel wat wijzigingen dit seizoen. Jacky Ickx verliet Ferrari en ging rijden voor het team van Brabham. Jochen Rindt vertrok daar dan weer richting Lotus. Daar reed hij aan de zijde van Mario Andretti en John Miles. Jackie Oliver verliet Lotus en ging samen met John Surtees naar BRM. Pedro Rodriguez ging rijden voor het team van Reg Parnell tot het moment dat Tim Parnell manager werd van BRM. Dan ging Pedro Rodriguez naar Ferrari. Piers Courage ging rijden voor het nieuwe privé team van Frank Williams, die aan het hoofd stond van Racing Cars Ltd. Ze hadden een Brabham BT26A aangekocht om hun races mee af te werken.
Motor:
Maximum 3.000cc zonder compressor en 1.500cc met compressor
Minimum
gewicht: 530 kg
Puntenverdeling:
de eerste zes kregen 9-6-4-3-2 en 1 punt.
Het
kampioenschap werd verdeeld in twee delen. Het eerste deel
bestond uit 6 races, het tweede deel uit 5 races. Voor deel 1
telde er 5 resultaten mee, vooor deel 2 vier. Afstand:
Tussen 300 en 400 km.
|