|
De grootste verrassing van het seizoen was dat Ken Tyrrell en Matra Sports hun partnership beëindigden. Deze beslissing werd genomen nadat Matra aankondigde om vanaf dit seizoen alleen nog met hun eigen V12 motor te gaan rijden. Het was hun bedoeling om het wereldkampioenschap te winnen met een volledig Franse wagen. Ken Tyrrell en Jackie Stewart waren niet overtuigd van de capaciteiten van de Matra motor en beslisten dat ze met niets anders dan een Ford-Cosworth motor aan het kampioenschap zouden beginnen. Ze moesten dan uiteraard wel op zoek naar een nieuw chassis en kwamen uiteindelijk uit bij March Engineering, een volledig nieuwe constructeur. Matra Sport ontwikkelde intussen hun MS120. Het was een volledig nieuwe wagen die speciaal gemaakt werd om hun eigen V12 in onder te brengen. De V12 Matra was merkelijk langer dan de Ford-Cosworth motor zodat de wielbasis met 10 centimeter werd verlengd. De motor had een vermogen van 430 PK bij 10.800 t/min.
Van zodra het bekend werd dat Ken Tyrrell een overeenkomst had gesloten met March, kreeg de firma een enorme hoeveelheid publiciteit. March was opgericht in 1969 door niemand minder dan
Max Mosley, een Formule 2 coureur, Alan Rees, een oud coureur en manager van het Winkelmann Racing Formule 2 team, Graham
Coaker, deze had vroeger voor de Hawker-Siddeley groep gewerkt en Robin
Herd, die voor McLaren had gewerkt en ook de vierwiel aangedreven Cosworth wagen had ontworpen. De naam March was afkomstig van de eerste letters van de namen van de oprichters en ze hadden hun basis in Bicester. Hun eerste project was een Formule 3 wagen, die bestuurd door Ronnie Peterson, derde werd bij zijn debuut in september 1969. Hun prioriteit ging echter nu uit naar het bouwen van een Formule 1 wagen. Zelfs voor March was benaderd door Ken Tyrrell hadden ze al beslist om met hun eigen Formule 1 team van start te gaan in 1970. Ze hadden daarvoor de financiële steun van Firestone en het Amerikaanse STP. Deze laatste firma ging ook nog met een eigen team van start. Uiteraard maakten ze daarbij gebruik van het March chassis. Er was echter nog een team dat gebruik maakte van het March chassis: Colin Crabbe van Antique Automobiles Ltd. Deze reden vanaf de Grand Prix van Monaco met niemand minder dan Ronnie Peterson als coureur.
Vermits de ontwerper, Robin Herd, niet veel tijd had, werd de March 701 een eenvoudige wagen. De monocoque was gemaakt van aluminium platen die aan elkaar bevestigd werden met poprivetten. Ze maakten gebruik van de Ford-Cosworth motor in combinatie het de Hewland versnellingsbak. Het meest opvallende was dat de neusvinnen één geheel vormden met het bodywork. In de loop van het seizoen werden er uiteraard nog verbeteringen aan de wagen aangebracht.
Bijna alle teams hadden voor dit seizoen een nieuwe wagen ontworpen. De Brabham BT33 was misschien wel de meest opvallende nieuwkomer. Ron Tauranac bouwde zijn eerste monocoque chassis waar de Ford-Cosworth motor een onderdeel van vormde. De kleur van de wagen veranderde van groen (meestal) naar turquoise en geel. Jacky Ickx was teruggekeerd naar Ferrari en daarom besloot Jack Brabham om verder te gaan als éénmans team. Toch werd er een tweede wagen ingezet (in het wit) door het Duitse magazine ‘Auto Motor und Sport’ met als coureur de jonge Duitser Rolf Stommelen.
Bij McLaren was de M14A een ontwikkeling van hun succesvolle M7A. Het grootste verschil waren de remmen, die nu veel krachtiger waren. Ook de voorwielophanging werd aangepast en de wagen had een grotere brandstoftank. Vanaf de Grand Prix van Spanje reed ook de M7D mee. Deze wagen kreeg veel belangstelling van de pers want hij kondigde de terugkeer van Alfa Romeo aan in de Formule 1. De Italiaanse firma had een V8 motor ontwikkeld die mocht gebruikt worden door McLaren. Deze kregen wel de steun van de Italiaanse fabriek. Andrea De Adamich was hun coureur. Het project werd echter geen succes omdat de motor te weinig vermogen had.
Na een teleurstellend seizoen in 1969 was BRM klaar voor het nieuwe seizoen met een nieuw chassis. Tony Southgate ontwierp de P153. De wagen werd aangedreven door hun eigen 48-kleppen V12 motor. Het vermogen bedroeg 435 PK bij 11.000 t/min. De wagen was ook uitgerust met een nieuwe, zelf ontworpen versnellingsbak. Met de stijgende kosten was het ook voor BRM zoeken naar sponsors. Ze vonden deze bij Yardley, een cosmetica bedrijf. Het resultaat was dat de wagens werden ingeschreven onder de naam ‘Yardley Team BRM’. Ze werden gespoten in de kleuren van Yardley namelijk bruin, wit en goud met een grote Y op de neus van de wagen. Pedro Rodriguez, die John Surtees verving, en Jackie Oliver waren hun twee vaste coureurs, al werd er voor George Eaton regelmatig een derde wagen ingezet. Hij betaalde wel voor elke race dat hij reed.
Ferrari, dat zich op het einde van 1969 had teruggetrokken, kwam terug met een nieuw 12 cilinder motor en een nieuwe wagen, de 312B. De motor werd geïnstalleerd in een semi-monocoque van aluminium platen. De motor kreeg de naam 312 Boxer en had een vermogen van 460 PK bij 11.000 t/min. De ophanging, zowel voor als achteraan, was bijna dezelfde als deze gebuikt bij het type 312. Toch bleek de 312B één van de wagens met de beste wegligging dit seizoen.
Lotus was wel begonnen aan een nieuwe wagen, maar moest het seizoen toch beginnen met een ‘Lotus 49B’ die wat aangepast werd. Deze kreeg dan ook de naam ‘Lotus 49C’. De voorwielophanging werd aangepast en er werden 13 duims voorwielen gebruikt. Het was echter wachten op de nieuwe ‘Lotus 72’ voor het team terug met het succes kon aanknopen. De Lotus 72 had een volledig nieuw design. De neus liep schuin in een punt uit terwijl de radiatoren aan de zijkant van de cockpit werden gemonteerd. Dat bespaarde niet alleen veel gewicht (er waren minder leidingen nodig), maar ook voor de coureur was dit ontwerp erg interessant. Hij kreeg namelijk de warme luchtstroom, afkomstig van de radiator, niet meer over hem heen. Ook de ophanging was totaal anders dan voorheen. De spiraalveren waren vervangen door ‘torsieveren’ . En dat zowel vooraan als achteraan. In de loop van het seizoen verschenen nog de verbeterde versies 72B en 72C. De Lotus 49C en 72 werden niet alleen door het fabrieksteam gebruikt maar ook door het nieuwe team ‘Brooke Band Oxo-Rob Walker team’. Hun coureur was Graham Hill, die overkwam van het fabrieksteam. Daar was men niet tevreden over het feit dat hun twee coureurs (Jochen Rindt en Graham Hill) in 1969 meer tegen dan met elkaar hadden geracet.
Net zoals March verschenen er echter nog enkele nieuwe teams aan de horizon in 1970. Zo begon John Surtees met zijn eigen team. Het ‘Team Surtees’ maakte in de loop van het seizoen hun eigen Formule 1 wagen. Het was een eenvoudig ontwerp, aangedreven door de Ford-Cosworth motor. De TS7 maakte zijn debuut tijdens de Grand Prix van Groot-Brittannië. In het begin van het seizoen maakte Surtees nog gebruik van de McLaren M7C. Ook Ken Tyrrell kwam dus met een eigen chassis op de proppen. De wagen, de ‘Tyrrell 001’ maakte zijn debuut tijdens de Grand Prix van Canada. Hij leek erg op de Matra MS80. Ook de Italiaan Guglielmo Bellasi maakte zijn eigen Formule 1 wagen. Deze werd bestuurd door Silvio Moser. De wagen werd aangedreven door de Ford-Cosworth motor, had een Hewland versnellingsbak en verschillende andere componenten kwamen van de oude Brabham van Moser. Frank Williams sloot dan weer een overeenkomst met Alessandro De Tomaso om hun Formule 1 wagen in te zetten in het kampioenschap. Het type ‘505’ werd ook aangedreven door de Ford-Cosworth motor en had ook de Hewland versnellingsbak. De voor- en achterwielophanging waren een kopie van dewelke gebruikt werden bij de Brabham BT26.
Van het rijdersfront was vooral de komst van March van belang. Chris Amon en Jo Siffert werden aangeworven door het fabrieksteam terwijl Mario Andretti voor STP March ging rijden. Het vertrek van Chris Amon bij Ferrari kwam niet echt als een verrassing maar toen ook Pedro Rodriguez het team verliet om terug bij BRM te gaan rijden, beslisten ze bij Ferrari om hun Sport Car coureurs, Clay Regazzoni en Ignazio Giunti, te promoveren om naast Jacky Ickx, die dan weer terugkwam na een jaartje Brabham, te rijden. De plaats van Jo Siffert in het Rob Walker team werd ingenomen door Graham Hill. John Surtees tenslotte had BRM verlaten om zijn eigen team op te richten.
Motor:
Maximum 3.000cc zonder compressor en 1.500cc met compressor
Minimum
gewicht: 530 kg
Puntenverdeling:
de eerste zes kregen 9-6-4-3-2 en 1 punt.
Het
kampioenschap werd verdeeld in twee delen. Het eerste deel
bestond uit 7 races, het tweede deel uit 6 races. Voor deel 1
telde er 6 resultaten mee, voor deel 2 vijf. Afstand:
Tussen 300 en 400 km.
|