GRAND PRIX VAN CANADA 1971

XIth Canadian Grand Prix 

CAN

VERSLAG VAN DE RACE

n° 14 - Jo Siffert - BRM P160

De Grand Prix van Canada vond afwisselend plaats op het circuit van Mont-Tremblant in St.Jovite en op Mosport Park in Ontario. Deze laatste organiseerde de wedstrijd dit jaar. Er kwamen niet minder dan 27 coureurs opdagen om voor de 24 beschikbare startplaatsen te strijden. De fabrieksteams waren min of meer terug volledig aanwezig en het team van BRM bracht zelfs een vijfde wagen aan de start. Deze was voor de plaatselijke coureur George Eaton. De volgende teams waren aanwezig: Lotus, Ferrari, Brabham, McLaren, Tyrrell, BRM, March, Matra, Surtees en Frank Williams. Voeg daarbij nog de privé-teams voor Skip Barber, Pete Lovely en Chris Craft en je had een vol deelnemersveld. Bij McLaren viel er nog wel een eigenaardigheid te bespeuren. In de twee wagen zat niet Jackie Oliver, maar wel de Amerikaan Mark Donohue. Deze maakte hier zijn Grand Prix debuut. Wat ook nog opviel aan deze wagen was dat hij niet de normale kleurstelling had, maar dat hij gespoten werd in het donkerblauw. Dat kwam doordat de wagen gehuurd was door Roger Penske en deze de wagen had gespoten in de Amerikaanse kleuren.

Op vrijdagmorgen begonnen de trainingen op een natte baan omdat het in de loop van de nacht fel had geregend. De baan zou maar pas opdrogen tegen de tweede sessie, die in de loop van de namiddag werd verreden. Uiteraard werden er dan maar pas tijden gereden die iets te betekenen hadden.Twee coureurs staken er van in het begin bovenuit. Het waren Jackie Stewart en Jo Siffert die respectievelijk 1’15,7” en 1’15,8” reden. Dat was bijna een seconde sneller dan Clay Regazzoni en Denny Hulme die beiden 1’16,5” reden. Clay Regazzoni reed deze tijd in de reservewagen van het team omdat hij zijn eerste wagen beschadigd had. Slechts drie andere coureurs konden een tijd van minder dan 1’17” rijden. Dat waren François Cevert, Reine Wissel en Ronnie Peterson. Emerson Fittipaldi had daar zeker ook bij geweest, maar al van in het begin van de training had hij problemen met de koppeling van zijn Lotus.

Goodyear had speciaal voor deze wedstrijd een nieuwe band ter beschikking gesteld van de teams. Deze band was niet, zoals de vorige compounds, geproduceerd in de fabriek te Wolverhampthon, maar wel in Akron. Op zaterdag maakten de meeste coureurs gebruik van deze band en vooral François Cevert was tevreden over de nieuwe compound, want hij reed een seconde sneller dan gisteren. Met deze tijd nam hij de derde plaats op de eerste rij voor zijn rekening. De twee eerste bleven ook vandaag een klasse apart. De wereldkampioen was ook deze keer de snelste. Hij reed een tijdje in de Tyrrell 001 omdat er op zijn racewagen, die nu weer uitgerust was met de gewone wielbasis, problemen waren. Iedereen kon zijn tijd van gisteren verbeteren. Op het einde van de training werd de tweede rij ingenomen door Emerson Fittipaldi en Chris Amon. Ze hadden beiden een tijd van 1”16,1” achter hun naam staan. Ronnie Peterson, Reine Wisell, Mark Donohue, Howden Ganley, Denny Hulme, Jean Pierre Beltoise en Jacky Ickx waren minder dan een halve seconde trager. Clay Regazzoni, die ook een tijd van 1’16,1” reed, stapte echter teug over op zijn racewagen. Zijn beste tijd die hij daarin reed was ‘amper’ 1’17,5”. Van de vijf coureurs die geen gegarandeerde startplaats hadden gekregen van de organisatoren, waren Helmut Marko en George Eaton, beiden in hun BRM, de snelsten. Daardoor moesten Skip Barber, Chris Craft en Pete Lovely de race als toeschouwers volgen.

Henri Pescarolo, die al tijdens de trainingen problemen met de motor had, was zelfs nog ongelukkiger op de racedag. Tijdens de 30 minuten durende ongetimede sessie, gleed de Fransman van de baan. Hij ging door een hek en bezeerde zich hierbij aan de nek. Daardoor kon hij niet deelnemen aan de race. Tijdens de warming-up ronden, net voor de race, die meer dan een uur te laat werden gehouden door het fatale ongeluk in de Formule Ford wedstrijd, spinde Howden Ganley in de vangrails. Hij had nog geprobeerd om de spinnende Mario Andretti te vermijden, maar was daar niet in gelukt. De BRM van Ganley was zo zwaar beschadigd dat ook hij moest afhaken voor de race. De weersomstandigheden waren ook vandaag nu niet bepaald om over naar huis te schrijven, want na een droge voormiddag was het al een hele namiddag aan het regenen. Ook andere coureurs hadden nog enkele ‘hete’ standjes zoals Graham Hill, die ook in de vangrail schoof. Hij had meer geluk dan Howden Ganley. Zijn mecaniciens moesten in een sneltempo de opgelopen schade herstellen. Skip Barber en Pete Lovely kregen door de terugtrekking van Henri Pescarolo en Howden Ganley alsnog de kans om aan de race deel te nemen. Normaal gezien kwam de plaats echter toe aan Chris Craft, maar zijn wagen was niet raceklaar, nadat hij op het einde van de training een motorprobleem had opgelopen.

Toen de start eindelijk werd gegeven, kwam er een enorme spray vanaf de 24 wagens. Jackie Stewart reed aan de leiding, dat was duidelijk, maar de volgorde daarachter was onmogelijk te bepalen door de onzichtbaarheid. Voorzichtig gingen de rijders door de eerste bochten, maar de helse condities eisten al zeer snel hun tol. Jo Siffert was de eerste die van de baan ging, nadat hij een pak modder, opgeworpen door een voorganger, op zijn helm had gekregen. Hij kon echter terug de goede weg vinden. Tim Schenken kon de eerste ronde niet volmaken. Maar hij ging niet van de baan, want zijn motor viel gewoon stil na onstekingsproblemen. Jackie Stewart had aan het einde van de eerste ronde niet minder dan 3 seconden voorsprong op Ronnie Peterson. Dan volgden Jean Pierre Beltoise, Mark Donohue, Emerson Fittipaldi, François Cevert, Jacky Ickx, Reine Wisell, John Surtees, Chris Amon, Mario Andretti, Denny Hulme, Clay Regazzoni, Rolf Stommelen, Peter Gethin, Graham Hill, Jo Siffert, Helmut Marko, George Eaton, Mike Beuttler, Nanni Galli, Skip Barber en ten slotte Pete Lovely.

In de tweede ronde verloor John Surtees de controle over zijn stuur en daardoor verloor hij tien plaatsen. In de derde ronde ging Graham Hill van de baan. Hij beschadigde hierbij zijn oliereservoir en moest de race verlaten. Vijf ronden later eindigde de race van Clay Regazzoni. Hij schoof van de baan, raakte daarbij de vangrail en zijn Ferrari vloog, door de wrijving, in brand. Hij kon nog net op tijd uit zijn wagen springen, die dan snel geblust werd door de marshalls. Op dat moment leek het wel of de race lag al in een beslissende plooi. Jackie Stewart had ondertussen al een voorsprong van 6 seconden op Ronnie Peterson. De Zweed stond onder druk van Jean Pierre Beltoise, die een knappe prestatie neerzette in de Matra. Even later nam hij trouwens de tweede plaats over van Peterson. Vier ronden later ging de Zweed echter opnieuw naar de tweede plaats. Mark Donohue kon ook het tempo goed bijhouden. Dan was er echter een groot gat voor Emerson Fittipaldi op de vijfde plaats verscheen. Verder naar achteren had Jo Siffert weer veel tijd verloren omdat hij een pitstop had moeten maken, om zand en modder te laten verwijderen van de neussectie van zijn wagen. Toen de mecaniciens daarmee bezig waren, stopte ook Mario Andretti in de Ferrari pit. De motor liep niet zoals de Amerikaan het had gewild.

Ronnie Peterson en Jackie Stewart

In de 15e ronde dook Mark Donohue plots de pit in. Na een erg korte pitstop kon hij, zonder een plaats te verliezen, zijn race vervolgen. Hij won zelfs bijna direct een plaats toen Jean Pierre Beltoise, in de 16e ronde, van de baan vloog en daarbij de voorkant van zijn Matra zwaar beschadigde. Daardoor reden Jackie Stewart en Ronnie Peterson nu zeker alleen over de baan, maar het verschil tussen de twee was nu wel verwaarloosbaar. In de 17e ronde nam Ronnie Peterson, tot eenieders verrassing, zelfs de leiding over. De Schot nam de ronde later de leiding terug over, maar de Zweed wist nu dat het mogelijk was om de Tyrrell te passeren. Hij nam dan ook de leiding terug over en behield deze nu voor dertien ronden. Maar in de 31e ronde nam de Tyrrell coureur terug de leiding over toen ze net een achterblijver dubbelden. Even later gingen ze George Eaton voor de derde keer dubbelen. Er ontstond echter een misverstand tussen Ronnie Peterson en de BRM coureur. Ze raakten elkaar waardoor de voorvleugel van de March werd verbogen. Dat had duidelijk zijn invloed op het rijgedrag van de wagen waardoor Ronnie Peterson het tempo van Jackie Stewart niet meer kon volgen. Ondanks dit probleem reed de Zweed nog op een relatief veilige tweede plaats, want het gat naar Mark Donohue bedroeg op dat moment meer dan 45 seconden. Hij was de enige coureur die nog in dezelfde ronde reed als de leider. Toch was er achterin het veld nog wel het één en het ander te zien. Denny Hulme, die na een erg slechte start aan een mooi remonte bezig was, had in de 7e ronde Chris Amon gepasseerd, in de 21e ronde François Cevert en in de 27e ronde de twee Lotus wagens. Nu stond hij op het punt om Jacky Ickx voorbij te gaan, die zelf in de 11e ronde voorbij Emerson Fittipaldi was gegaan. In de 34e ronde ging de Nieuw-Zeelander naar de vierde plaats. Jacky Ickx verloor nog verder terrein en zeven ronden later was hij al gepasseerd door Reine Wisell en Emerson Fittipaldi.

Net over halfweg waren de condities nog steeds even erg. De regen was dan wel wat minder geworden, maar nu was de mist komen opzetten. De zichtbaarheid werd ronde na ronde minder en de organisatoren beslisten dan ook om 16 ronden voor het einde de race af te vlaggen. Jackie Stewart won zijn zesde race van het seizoen. Tweede werd Ronnie Peterson voor Mark Donohue, Denny Hulme, Reine Wisell en François Cevert die het laatste puntje veroverde.

In de stand voor het wereldkampioenschap had Jackie Stewart 60 punten voor Ronnie Peterson met 29, Jacky Ickx met 19 en François Cevert met 17 punten. Bij de constructeurs had Tyrrell/Ford nu 64 punten voor Ferrari met 32, BRM en March/Ford met 30 punten.

© F1-Geschiedenis
Oorspronkelijk idee, ontwerp en webmaster: Jos Van Aken (2004-2007)

Nedstat Basic - Free web site statistics