|
Op het einde van het seizoen 1971 was er niet veel nieuws te rapen in verband met nieuwe wagens of coureurs die van teams veranderden. Maar er was wel nieuws te rapen in verband met sponsorovereenkomsten. Het meest ambitieuze plan kwam van BRM. Ze hadden nu een deal gesloten met Marlboro, nadat Yardley na twee jaar sponsoren hun sponsordeal niet verlengden. Hun doel was dan ook om met een team van zes wagens te gaan rijden. Alle wagens werden uitgerust in de rood-witte Marlboro kleuren. Jean Pierre Beltoise (die geleend werd van Matra), Peter Gethin en Howden Ganley zouden rijden in de nieuwe P180, terwijl Helmut Marko, Alex Soler-Roig en Gijs Van Lennep gebruik zouden maken van aangepaste wagens uit 1971, de P160B. Maar omdat de ontwikkeling van de P180 bijna een gans seizoen in beslag nam, konden ze daar amper mee rijden. De P160B werd dan maar, tegen wil en dank, het speerpunt van het team. Dardoor moest het team zelfs een paar keer de P153 inzetten om aan vier wagens te geraken. Van de zes die oorspronkelijk gepland waren, was toen al lang geen sprake meer. Van het rijdersfront viel meteen op dat het team erg dikwijls van rijders wisselde. Dat was uiteraard niet goed voor het moraal van de troepen. Bovendien was hun V12 motor niet erg betrouwbaar en had hij minder vermogen dan in 1971. Doordat de P180 zo laat op het seizoen klaar was, werd dan maar de P160 aangepast. Hij kreeg dan ook de nieuwe naam P160B mee. De monocoque was smaller en de nieuwe richtlijn van de CSI omtrent de minimum dikte van de gebruikte platen, waardoor het minimum gewicht nu kon opgetrokken was tot 550 kg, werd uiteraard dan ook toegepast. Ook werden er in de P160B vier brandstoftanks geïnstalleerd in plaats van de gebruikelijke 2. De remmen kwamen nu van Lockheed in plaats van Girling. Achteraan op de wagen werd ook nog de ophanging aangepast. De wagens kregen bovendien Lotusachtige luchtinlaten. Later in het seizoen werd de P160B uitgerust met de ophanging van de P180. Vanaf dan werd naam P160C gebruikt.
In tegenstelling tot de ambitieuze plannen van BRM, verminderde Matra net zijn activiteiten in de Formule 1. Ze kwamen maar met 1 wagen aan de start. De coureur die er successen mee moest halen, was Chris Amon. In eerste instantie maakte het team gebruik van een ontwikkeling van de MS120B. Deze kreeg de naam MS120C. Maar buiten enkele details die gewijzigd werden aan de voorwielophanging, was er geen verschil tussen beide wagens. Later in het seizoen werden er nog andere wijzigingen aangebracht. Zo werd onder andere de olietank naar achter verplaatst. Het doel was om een betere luchtcirculatie te verkrijgen. Ook werd er gebruik gemaakt van geperforeerde schijfremmen. Vanaf de Grand Prix van Frankrijk verscheen het team met een volledig nieuwe en sterkere monocoque. Vanaf dan ging de wagen door het leven als MS120D. Mechanisch gezien was het echter volledige dezelfde wagen als voordien. Het team behaalde in 1972 niet al te veel successen. Maar vooral door enkele keren pech te hebben, konden ze geen Grand Prix winnen. Het was zelfs moeilijk om te geloven dat de prachtige sound van hun V12 motor, dikwijls omschreven als het beste wat de motorsport was overkomen, niet meer te horen zou zijn in 1973, want op het einde van het jaar kondigde Matra onverwacht aan dat het zich terugtrok uit de Formule 1.
Gelukkig voor de sport bleek de aankondiging van Enzo Ferrari, om de Formule 1 te verlaten, weer maar eens loos alarm. Het hele seizoen ging het team nog door met gebruik te maken van de 312B2 versie 1972. Er waren uiteraard wat veranderingen aan de wagen aangebracht, zoals de vervanging van de achterwielophanging door een meer conventioneel systeem. Ook de voorwielophanging werd aangepast waardoor de wagen een beetje breder werd. Op motorgebied werd enorm veel getest met hun V12 motor, vooral om de betrouwbaarheid te verbeteren. Nog enkele veranderingen die aan de wagen aangebracht werden, waren de verwijdering van de olietank boven het hoofd van de coureur. Deze werd nu helemaal achterin geïnstalleerd, net boven de versnellingsbak. Ook werd de motor nu volledig afgedekt met een deksel. Er werden ook testen uitgevoerd met een Tyrrellachtige neus, vooral om de wegligging te verbeteren. Vanaf de Grand Prix van Frankrijk was de achterwielophanging nog verder aangepast.
Nadat Tyrrell op een zeer overtuigende manier het kampioenschap in 1971 had gewonnen, begonnen ze aan het nieuwe seizoen met de wagens van het vorige seizoen, dit wil zeggen met de 002, 003 en 004. De laatste was vorig jaar op het einde van het seizoen gebouwd om deel te nemen aan de Motorshow van Londen. Tijdens de Grand Prix van Frankrijk verscheen de eerste van de twee nieuwe wagens. De 005 was een doorontwikkeling van zijn voorgangers, al zaten er wel enkele nieuwigheden op. Om te beginnen was de monocoque lager en de voorremmen waren aan de binnenkant gemonteerd. Maar omdat deze problemen gaven tijdens de trainingen voor de Grand Prix van Frankrijk en Groot-Brittannië werden ze weer vervangen door een meer conventioneel systeem dat aan de buitenkant was gemonteerd. De olietanks werden dan weer verplaatst van achteraan op de wagen naar de zijkanten. Voor de rest werden er rond de motor fibre glas wanden aangebracht die men snel kon verwijderen om een makkelijke toegang tot de motor te hebben.
Het team van Gold Leaf Lotus werd, door de sponsoring van John Player Special omgedoopt tot het John Player Team Lotus. De Lotus 72D werd dan ook in de goud-zwarte kleuren gespoten. Voor de rest bleven de wagens, op enkele details na, ongewijzigd. Zelfs de nieuwe wagen, die zijn debuut maakte tijdens het begin van het Europese seizoen, behield hetzelfde basis design. Als coureur behield Colin Chapman Emerson Fittipaldi. Als teamgenoot kreeg de jonge Braziliaan de succesvolle F3 coureur Dave Walker aan zijn zij. Terwijl de Braziliaan de jongste wereldkampioen ooit werd (tot op dat moment), had Dave Walker een erg teleurstellend seizoen.
Ook bij McLaren werden de wagens in een nieuw kleurenschema gespoten. Dit had alles te maken met de overeenkomst met Yardley. De M19C, die zijn debuut maakte tijdens de International Trophy Race, was nagenoeg dezelfde wagen als de M19A. Alleen werden er lichtere onderdelen gebruikt in de ophanging en aan de neussectie van de wagen. Later in het seizoen werden er nog enkele wijzigingen aangebracht, zoals onder andere een nieuwe olietank die gemonteerd werd tussen de brandstoftank en de motor. Net als bijna alle andere teams had het team dit seizoen ook verschillende tests uitgevoerd met de achtervleugel die nog verder naar achteren werd gemonteerd. De coureurs voor Lotus waren Denny Hulme en de kampioen van het Amerikaanse Can-Am kampioenschap Peter Revson.
John Surtees had het van langsom drukker met alle besprekingen en vergaderingen die een eigen team met zich meebrachten. Hij besloot dan ook om zelf zijn helm aan de wilgen te hangen en het rijden over te laten aan Mike Hailwood en Tim Schenken, die overkwam van Brabham. De wagens waren nog steeds gespoten in de blauw witte kleuren van Brooke Bond Oxo-Rob Walker. Een derde wagen werd ingezet in samenwerking met het Italiaanse firma Ceramica Pagnossin. Deze werd bestuurd door Andrea de Adamich en reed rond in een witte kleur. Alle drie de wagens waren een ontwikkeling van de TS9A, die in 1971 voor het eerst op het circuit verscheen. Vanaf 1972 gingen ze door het leven als TS9B. Om het oververhittingsprobleem, waar de wagen dikwijls mee te maken kreeg, onder de knie te krijgen, werden er grote openingen, net voor de radiator gemaakt aan iedere kant van de monocoque. Ook was het team volop aan het werken aan de nieuwe TS14, al werd deze wagen wel gebouwd met het seizoen 1973 in gedachten. Door de twijfels die er bestonden over de nieuwe reglementeringen, werden de werken echter regelmatig opgeschort. De nieuwe wagen zou zijn debuut maken tijdens de Grand Prix van Italië en zou nauwelijks twee races te zien zijn op de circuits.
Voor het tweede opeenvolgende jaar veranderde de controle over Motor Racing Developments van persoon. Ron Tauranac verkocht zijn aandelen aan Bernard Ecclestone. Als resultaat van deze verkoop werden de kleur turkoois opgegeven. De wagens werden vanaf nu in het wit gespoten. Tijdens de winter werd de Brabham BT34 wat aangepast. De cockpit werd wat breder gemaakt en er werden nieuwe remmen op gemonteerd. In eerste instantie was de wagen bedoeld voor de Formule 2 kampioen, de Argentijn Carlos Reutemann, die YPF Club, een gigantische Argentijnse brandstofleverancier, als sponsor meebracht. Graham Hill, de kopman van het team, bleef rijden met de BT33, die voordien gebruikt werd door Tim Schenken. Het was maar pas toen de nieuwe BT37 klaar was, dat Hill deze wagen opgaf. Het grootste deel van het seizoen werd afgewerkt in de BT37, een wagen die origineel getekend was door Ron Tauranac en vervolledigd werd door ex-McLaren designer Ralph Bellamy. Later op het jaar kwam Wilson Fittipaldi, de broer van Emerson, het team vervoegen. Hij reed in de BT34. Er waren ook plannen om later in het seizoen te gaan racen met de BT39, aangedreven door een nieuwe Ford V12 motor die gesponsord werd door Weslake. Verder dan de tekentafel kwamen deze plannen echter niet.
Het team dat met de meeste nieuwigheden uitpakte dit seizoen, was zeker March. Robin Herd ontwierp de March 721, die een ontwikkeling was van de March 711. De motorkap was nu uit één stuk fibre glas. De roll-over bar en de luchtinlaat waren daar nu eveneens aan bevestigd. Na de Grand Prix van Argentinië werd er een nieuwe neusvleugel gemonteerd. Het was echter op de 721X, die debuteerde tijdens de Race of Champions, dat de vele nieuwigheden zich bevonden. De motor werd een stuk naar voren geschoven, zodat de Alfa Romeo versnellingsbak nu direct achter de motor kon worden gemonteerd. Doordat de radiatoren aan de zijkant van de wagen zaten, was er voor de vooras eigenlijk geen gewicht aanwezig, behalve dan van de neusvleugel zelf.Het belangrijkste was dat er aan de monocoque nu een beschermkooi voor de coureur was aangebracht. Later werd de Alfa Romeo versnellingsbak terug vervangen door een exemplaar van Hewland. De wagen bleek echter een flop te zijn en werd dan ook vrij snel opgegeven. Als vervanger kwamen er twee 721G wagens, die rechtstreeks afstamden van hun Formule 2 wagen. Er waren wel enkele aanpassingen nodig zodat de Ford Cosworth motor in de wagen kon liggen en ook werden er grotere brandstoftanks gemonteerd. De ophanging was zowel vooraan als achteraan volledig conventioneel. Tijdens de Grand Prix van USA was er op de wagen van Ronnie Peterson een hydraulisch aanpasbaar systeem voor de roll-bar aanwezig. Het systeem werd echter beschadigd tijdens de trainingen en werd dan ook niet gebruikt in de race. De STP gesponsorde wagens werden bestuurd door Ronnie Peterson en Niki Lauda (die zich in het team had ingekocht). Ook Frank Williams maakte gebruik van de March wagens. Hun 721 en aangepaste 711 werden bestuurd door Henri Pescarolo en Carlos Pace. Ook verschillende kleine privé-teams kochten een March om daar mee te gaan racen tijdens verschillende Grand Prix’.
Er waren ook enkele nieuwe namen die hun opwachting maakten tijdens het seizoen. De eerste kwam van het Italiaanse concern Tecno. Het team werd gevormd door Luciano en Gianfranco Pederzani een tiental jaren geleden. Ze waren begonnen met het racen met karts en hadden gaandeweg opmars gemaakt in de verschillende raceklassen. Dit leidde tot de bouw van hun eerste eigen wagen in 1971. Door de hulp van de Martini en Rossi, bouwden ze ook hun eigen V12 motor met een inhoud van 2.922cc (50,98 * 48,46mm). De motor had een vermogen van 460 Pk bij 11.000 t/min. Als manager voor het team trokken ze David Yorke aan. Deze had zijn sporen al verdiend bij het team van Vanwall en Gulf-Porsche. De coureurs voor het team waren Nanni Galli en Derek Bell. De Tecno PA123 maakte zijn debuut tijdens de Grand Prix van België. Het team was echter al klaar met een veel slanker chassis. Problemen met het rijgedrag van de wagen maakte dat hij echter nooit in een race zou gebruikt worden.
Nog een nieuw team dat een kortstondige opwachting maakte in de Formule 1 was het team van Connew. Het chassis werd getekend door de voormalige Surtees mecanicien Peter Connew. De wagen verscheen een eerste keer tijdens de Grand Prix van Groot-Brittannië, maar verder dan de trainingen kwam hij daar niet. Ondanks de sponsoring van Shell Frankrijk, Darnval sport Cars Concern en Capricorn Seafoods, kon de wagen nooit enige indruk maken. Na zijn enige optreden, tijdens de Grand Prix van USA, werd de wagen omgevormd tot een F5000.
De eerste eigen wagen die Frank Williams bouwde in opdracht van zijn Italiaanse sponsor Politoys, was een eenvoudig ontwerp. De Politoys FX3 verscheen alleen tijdens de Grand Prix van Groot-Brittannië en na het seizoen tijdens enkele wedstrijden die niet meetelden voor het kampioenschap. Voor de rest werkte Frank Williams het seizoen af met zijn aangekochte March wagens.
Motor:
Maximum 3.000cc zonder compressor en 1.500cc met compressor
Minimum
gewicht: 550 kg
Puntenverdeling:
de eerste zes kregen 9-6-4-3-2 en 1 punt.
Het
kampioenschap werd verdeeld in twee delen van 6 races. Van elk
del telde de vijf beste resultaten mee. Afstand:
Maximum 325 km.
|